De Rechtbank Midden-Nederland heeft onlangs uitspraak gedaan over het recht van erfgenamen op inzage in een buitenlandse bankrekening.
Partijen zijn zussen van elkaar.
Hun vader (hierna: erflater) is op 2 april 2016 overleden.
Erflater was ten tijde van zijn overlijden ongehuwd.
Erflater heeft over zijn nalatenschap beschikt bij testament van 23 januari 2015.
Partijen zijn de erfgenamen, ieder voor een gelijk deel.
Erflater beschikte in het verleden over twee buitenlandse bankrekeningen: één in Duitsland en één in Luxemburg.
De Duitse bankrekening is eind 2003 opgeheven.
De Luxemburgse bankrekening is blijven bestaan, maar de tenaamstelling daarvan is op 22 september 2004 gewijzigd.
Erflater heeft daarbij een volmacht gekregen om over de rekening te beschikken.
Formeel stond de rekening niet langer op naam van erflater en de nieuwe rekeninghouder is het geld van erflater gaan beheren.
Volgens een handgeschreven notitie van erflater zou zich in 2009 een bedrag van circa € 35.000,- op de Luxemburgse rekening hebben bevonden.
Eiseres heeft eerder in een bodemprocedure geprobeerd inzage te verkrijgen in de Luxemburgse bankrekening.
Gedaagden zijn toen veroordeeld hun medewerking te verlenen.
Desondanks heeft eiseres geen bankinformatie verkregen.
Dit heeft geleid tot een executiegeschil.
Bij vonnis van de voorzieningenrechter van 13 juli 2023 is eiseres bevolen de executie te staken.
Dit vonnis is bij arrest van het gerechtshof van 6 augustus 2024 bekrachtigd.
Erfrecht. Verdeling van een nalatenschap. Recht van erfgenamen op informatie. Recht op inzage van een buitenlandse bankrekening. Medewerking. Dwangsom.
De rechter oordeelt als volgt.
Eiseres legt aan haar vordering ten grondslag dat nog steeds onduidelijkheid bestaat over het vermogen van erflater en dat niet kan worden uitgesloten dat de nalatenschap een aanspraak heeft met betrekking tot de Luxemburgse bankrekening.
Volgens haar weigert gedaagde de noodzakelijke medewerking te verlenen, terwijl de bank zonder die medewerking geen informatie verstrekt.
Gedaagde betwist dat eiseres belang heeft bij haar vordering.
Volgens haar maakte de bankrekening sinds 2004 geen deel meer uit van het vermogen van erflater en bestond deze bovendien niet meer ten tijde van zijn overlijden.
Ook voert zij aan dat niet is voldaan aan de vereisten voor een inzagevordering en dat zij reeds aan een eerdere veroordeling heeft voldaan.
Als uitgangspunt geldt dat erfgenamen over en weer gehouden zijn zich jegens elkaar te gedragen naar de eisen van redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen deelgenoten beheersen.
Daaruit vloeit onder meer voort dat zij elkaar de informatie verschaffen die nodig is om de omvang van de nalatenschap vast te stellen.
Vaststaat dat de tenaamstelling van de Luxemburgse bankrekening in 2004 is gewijzigd en dat erflater nadien slechts een volmacht had.
Eveneens staat vast dat onduidelijkheid bestaat over het verloop van deze rekening in de periode daarna en over de bestemming van de daarop aanwezige gelden.
Uit de door eiseres overgelegde stukken volgt bovendien dat zich in 2009 mogelijk nog een substantieel bedrag op deze rekening bevond.
Dat de rekening in 2014 zou zijn opgeheven, neemt niet weg dat nog steeds van belang kan zijn wat er met het daarop aanwezige vermogen is gebeurd en of de nalatenschap mogelijk een vordering heeft verkregen.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres een voldoende concreet belang heeft bij de gevraagde informatie.
Het ligt, zoals ook het gerechtshof heeft overwogen, voor de hand dat erfgenamen vraagtekens hebben bij het verloop van een rekening waarvan niet duidelijk is waar het vermogen is gebleven.
Zonder nadere informatie kan niet worden vastgesteld wat met dit vermogen is gebeurd en of sprake is van een nagekomen bate of een andere aanspraak van de nalatenschap.
Dat de rekening later is opgeheven, sluit een dergelijke aanspraak niet uit.
Het verweer van gedaagde dat de bankrekening geen onderdeel (meer) uitmaakt van de nalatenschap, kan daarom niet slagen.
Juist de gevraagde informatie is nodig om dat te kunnen vaststellen.
Dat de rekening niet meer op naam van erflater stond, betekent niet zonder meer dat het daarop aanwezige vermogen niet (indirect) tot zijn vermogen behoorde.
Erflater beschikte immers over een volmacht.
Voor zover gedaagde heeft betoogd dat zij reeds aan een eerdere veroordeling heeft voldaan, volgt de rechtbank haar daarin niet.
Uit de overgelegde correspondentie met de Luxemburgse bank blijkt dat de bank expliciet verzoekt om medewerking van degene op wie het vonnis betrekking heeft, te weten gedaagde.
Gedaagde heeft weliswaar gesteld dat zij geen bemoeienis heeft gehad met de Luxemburgse rekening, maar dat maakt voor de medewerkingsplicht niet uit.
De vordering is bovendien beperkt tot het (meewerken aan het) verschaffen van informatie.
Gedaagde heeft geen andere redenen aangevoerd waarom dat voor haar bezwaarlijk zou zijn.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering voor het verlenen van medewerking toewijzen.
Ook acht de rechtbank de gevorderde dwangsom een voldoende en passende prikkel voor (met name) gedaagde om haar medewerking te verlenen, mede gelet op de verhouding tussen partijen.
Wel ziet de rechtbank aanleiding het maximum van de te verbeuren dwangsom te matigen tot € 25.000,–.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.