De Rechtbank Midden-Nederland heeft onlangs uitspraak gedaan over een vordering van een executeur (tevens erfgenaam) om een andere erfgenaam te veroordelen tot de medewerking aan de verkoop van een woning uit de nalatenschap.
In zijn testament heeft erflater zijn zoon (gedaagde), zijn andere zoon, zijn stiefzoon (eiser) en de drie kinderen van zijn voor-overleden andere stiefzoon tot zijn erfgenamen benoemd.
Verder heeft erflater eiser tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder benoemd.
Tot de nalatenschap behoort een woning in B (hierna: de woning), waarin erflater woonde.
Gedaagde is in december 2021 bij erflater komen wonen.
Na het overlijden van erflater is gedaagde in de woning blijven wonen.
Erfrecht. Kort geding. Vordering van executeur tevens erfgenaam om andere erfgenaam te veroordelen tot medewerking aan de verkoop van een woning. Toetsing.
De rechter oordeelt als volgt.
De voorzieningenrechter moet beoordelen of er voldoende spoedeisend belang bestaat bij de gevorderde voorzieningen.
Daarnaast moet worden beoordeeld of het voldoende aannemelijk is dat de vorderingen van eiser in een eventuele bodemprocedure zullen worden toegewezen, zodat daarop in dit kort geding kan worden vooruitgelopen.
Daarbij moet een belangenafweging plaatsvinden.
Gedaagde heeft als verweer gevoerd dat hij mondeling met erflater een bruikleenovereenkomst heeft gesloten en dat deze door eiser niet rechtsgeldig is opgezegd met inachtneming van een redelijke termijn voor ontruiming.
Eiser heeft betwist dat erflater en gedaagde een bruikleenovereenkomst hebben gesloten.
Volgens hem was het niet meer dan een zogenoemde ‘vriendendienst’ van erflater dat hij gedaagde kosteloos bij hem in de woning liet wonen.
Of er wel of niet sprake was van een bruikleenovereenkomst kan echter in het midden blijven.
De voorzieningenrechter volgt gedaagde namelijk niet in zijn stelling dat die overeenkomst niet op de juiste wijze is opgezegd en hem geen redelijke termijn is gegund voor ontruiming van de woning.
Eiser heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij voor en na het overlijden van erflater meerdere keren met gedaagde heeft besproken dat de woning verkocht zal moeten worden en dat gedaagde bepaalde stappen zal moeten zetten om andere woonruimte te vinden.
Gedaagde heeft verklaard dat hij zich dat maar deels kan herinneren.
Uit de e-mail van eiser van 1 september 2025 aan alle erfgenamen blijkt in ieder geval dat eiser toen heeft gemeld dat hij de verkoop van de woning in gang wilde zetten met als doel om de overdracht voor het einde van het jaar te laten plaatsvinden.
Gedaagde heeft in reactie daarop in zijn e-mail van 20 september 2025 geschreven dat hij daarmee niet akkoord ging en dat hij wilde dat de woning pas in de zomer van 2026 zou worden verkocht.
Mr. H heeft gedaagde vervolgens in een brief van 30 september 2025 onder meer gesommeerd om medewerking te verlenen aan het in de verkoop brengen van de woning en de levering van de woning en om de woning minimaal 1 maand voor de leveringsdatum te ontruimen.
Eiser heeft terecht gesteld dat, als er al sprake was van een bruikleenovereenkomst, de vereiste opzegging van die overeenkomst hierin kan worden gelezen.
Voor gedaagde moest op basis van deze brief duidelijk zijn dat het traject tot verkoop en levering van de woning in gang zou worden gezet en hij de woning nog tot uiterlijk 1 maand voor de levering zou kunnen gebruiken.
Inmiddels zijn er sinds de genoemde brief meer dan vier maanden verstreken.
Het verkooptraject is nog niet in gang gezet.
Gelet daarop is er geen sprake van een onredelijke termijn voor de ontruiming van de woning.
Gedaagde heeft verder als verweer gevoerd dat hij dakloos zal worden en zijn werkplek zal verliezen als hij de woning eerder dan zes maanden na betekening van dit vonnis moet verlaten.
Die omstandigheden komen naar het oordeel van de voorzieningenrechter voor zijn rekening en risico.
Gedaagde heeft erkend dat voor hem duidelijk was dat de woning op enig moment zou moeten worden verkocht en dat hij voor die tijd over voldoende inkomen moest beschikken om in aanmerking te kunnen komen voor een huurwoning of een antikraakwoning.
Het staat vast dat gedaagde al meerdere jaren geen inkomen uit arbeid heeft.
Gedaagde heeft daarover verklaard dat hij al heel lang bezig is met het bouwen van een website waarmee hij inkomsten kan gaan genereren.
Hij verwacht dat dat binnen enkele maanden zal lukken.
Eiser heeft dat betwist.
Concrete aanwijzingen dat gedaagde op korte termijn inkomsten zal kunnen verwerven met zijn website zijn er niet.
Evenmin is gebleken dat gedaagde na het overlijden van erflater moeite heeft gedaan om op andere wijze inkomen uit arbeid te verkrijgen.
Dat had wel op zijn weg gelegen.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter moet het belang van gedaagde om langer in de woning te blijven wonen in de gegeven omstandigheden wijken voor het belang van de andere erfgenamen bij spoedige verkoop van de woning.
Gedaagde heeft voldoende gelegenheid gehad om andere woonruimte te vinden.
Dat hij nog geen vervangende woonruimte heeft gevonden komt, zoals vermeld voor zijn rekening en risico.
Het is in het belang van alle erfgenamen dat de woning op korte termijn wordt verkocht, omdat dan de schulden kunnen worden betaald en de nalatenschap kan worden afgewikkeld.
De genoemde drie kinderen van de broer van eiser hebben, zoals eveneens vermeld, belang bij spoedige uitbetaling van de vorderingen en erfdelen.
Ook gedaagde heeft daar belang bij, want hij kan dat geld dan gebruiken om nieuwe woonruimte te verkrijgen.
Aannemelijk is daarom dat de bodemrechter zal oordelen dat niet van de andere erfgenamen kan worden gevergd dat zij nog langer in de onverdeelde gemeenschap blijven.
De voorzieningenrechter zal gedaagde daarom veroordelen mee te werken aan het in de verkoop brengen en verkopen van de woning zoals in de dagvaarding onder a t/m e is gevorderd.
Het gevorderde onder f, te weten het verlenen van alle medewerking om tot een behoorlijke verkoop te kunnen komen, is te onbepaald en zal om die reden worden afgewezen.
De voorzieningenrechter zal bepalen dat de bezichtigingen minimaal 24 uur van tevoren moeten worden aangekondigd behoudens spoedgevallen.
Wat gedaagde in dit kader nog meer (voorwaardelijk) heeft gevorderd zal worden afgewezen.
Aan de veroordeling zal een dwangsom van € 1.000,- worden verbonden, zoals gevorderd, maar deze zal worden gemaximeerd op € 20.000,-.
De voorzieningenrechter zal gedaagde ook veroordelen om in het geval hij de medewerking aan de verkoop weigert en/of daarin tekortschiet de woning binnen 2 weken na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten.
De vordering om eiser te machtigen om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van politie en justitie zal worden afgewezen, omdat dat gezien het bepaalde in artikel 556 lid 1 en artikel 557 Rv overbodig is.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.