De Rechtbank Gelderland heeft onlangs uitspraak gedaan over het bewijs van terugbetaling van een geldlening voor onbepaalde tijd.

De moeder van opposant en geopposeerden is overleden op 21 juni 2023 , nadat de vader van partijen, op 9 februari 2016 was overleden.

Moeder en vader waren tot het overlijden van vader gehuwd in gemeenschap van goederen.

Moeder en vader hebben in hun testamenten art. 4:13 Burgerlijk Wetboek (BW) (de wettelijke verdeling) op hun nalatenschap van toepassing verklaard.

Erfrecht. Verdeling van een nalatenschap. Geldlening voor onbepaalde tijd. Bewijs van Terugbetaling. Bewijs. Verjaring. Opeisen van de geldlening. Wettelijke rente.

De rechter oordeelt als volgt.

Opposant voert aan dat de vorderingen met betrekking tot de overboekingen in 2008 en 2009 (€ 10.500,00 totaal) zijn verjaard omdat meer dan vijf jaar is verstreken sinds deze vorderingen opeisbaar zijn geworden (art. 3:307 lid 1 BW).

Volgens opposant zijn de vorderingen direct na de overboekingen opeisbaar geworden omdat geen termijn voor nakoming is bepaald (art. 6:38 BW).

Geopposeerden voeren aan dat de vorderingen nog niet zijn verjaard.

De verjaringstermijn is volgens hen ofwel twintig jaar nadat opeising voor het eerst mogelijk was, ofwel vijf jaar na opeising (art. 3:307 lid 2 BW).

Dit omdat geen termijn voor terugbetaling is overeengekomen.

Tussen partijen is niet in discussie dat sprake is van geldleningen door overboekingen van de ouders aan opposant van € 5.500,00 op 25 september 2008 en € 5.000,00 op 19 maart 2009.

Vast staat ook dat geen termijn van terugbetaling is overeengekomen, zodat de moet worden aangenomen dat de geldleningen zijn aangegaan voor onbepaalde tijd.

Artikel 6:38 BW brengt mee dat de vorderingen daarom direct opeisbaar waren.

Opposant heeft niet weersproken dat de vorderingen nooit door moeder zijn opgeëist.

De eerste opeising is de brief van 20 november 2023 namens geopposeerden.

Gelet daarop zijn de vorderingen niet verjaard.

Voor zover hier relevant bepaalt artikel 3:307 lid 2 BW namelijk dat de verjaringstermijn van vijf jaar pas loopt vanaf de dag volgende op die waartegen de schuldeiser heeft medegedeeld tot opeising over te gaan.

Voor zover niet tot opeising wordt overgegaan, bepaalt artikel 3:307 lid 2 BW dat de vorderingen verjaren wanneer twintig jaar is verstreken vanaf de dag volgend op de dag waartegen opeising op zijn vroegst mogelijk was.

Deze termijn is ook nog niet verstreken.

Opposant stelt dat hij de geldleningen uit 2008 en 2009 heeft terugbetaald.

Hij voert aan dat vader en moeder in die periode, vanwege de financiële problemen van [opposant] toen, regelmatig geld op zijn bankrekening hebben gestort.

Opposant mocht namelijk € 5.000,00 rood staan op zijn bankrekening op voorwaarde dat hij drie dagen per maand een positief saldo had.

Opposant stelt dat hij deze bedragen allemaal heeft terugbetaald, deels via de bank en deels contant.

Opposant heeft een bankrekeningafschrift overgelegd waarop een overboeking van hem naar zijn ouders van € 3.000,00 te zien is.

De datum van de overboeking is 30 september 2008 en de beschrijving is “volgens afspraak, mijn dank”.

Geopposeerden betwisten dat deze betaling ziet op de geldlening uit 2008 en dat opposant enige andere terugbetaling heeft gedaan.

Nu vast staat dat opposant op 25 september 2008 en 19 maart 2009 geldbedragen heeft geleend van zijn ouders, is het aan opposant om aan te tonen dat hij deze heeft terugbetaald.

Met het overleggen van het afschrift van de overboeking van 30 september 2008 is opposant daarin gedeeltelijk geslaagd.

Het korte tijdsverloop na 25 september 2008 en de omschrijving maken het aannemelijk dat dit bedrag (€ 3.000,00) op de geldlening van € 5.500,00 ziet.

Overige betalingen op deze vorderingen heeft opposant niet kunnen aantonen.

Het door opposant opgestelde overzicht van de nalatenschap van vader, waarop de schuld niet staat, kan ook hier geen bewijs zijn van de terugbetaling om de redenen zoals overwogen.

Van de geldleningen uit 2008 en 2009 resteert dus nog een hoofdsom van € 7.500,00.

Dat betekent dat de berekening van de restschuld inclusief wettelijke rente tot 20 november 2023 niet juist is.

Uitgaande van een hoofdsom van € 7.500,00 op 20 november 2018 (de rentevorderingen van daarvoor zijn verjaard en niet gevorderd door geopposeerden) is de restschuld inclusief wettelijke rente (samengesteld) € 8.487,45 per 20 november 2023.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.