Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of na ingesteld hoger beroep door één van de erfgenamen sprake was van een processueel ondeelbare rechtsverhouding.
Volgens geïntimeerde betreffen beide vorderingen een ondeelbare rechtsverhouding, waarover door de rechter alleen kan worden geoordeeld als appellante en de zus beiden in beroep zouden zijn gekomen.
Nu de zus geen beroep heeft ingesteld, dient het hoger beroep van appellante te leiden tot een niet-ontvankelijkheid.
Wat betreft het incidenteel beroep dat geïntimeerde heeft ingesteld, moet de zus op grond van het bepaalde in artikel 118 Rv worden opgeroepen.
Geïntimeerde heeft het hof verzocht haar voor die oproeping toestemming te verlenen.
Volgens appellante is in dit geval geen sprake van een processueel ondeelbare rechtsverhouding.
Erfrecht. Procesrecht. Hoger beroep. Is er sprake van een processueel ondeelbare rechtsverhouding? Zuivere aanvaarding. Hoofdelijke aansprakelijkheid.
De rechter oordeelt als volgt.
Ten aanzien van de schuldbekentenis (vordering I) geldt dat de gestelde schuld van erflater bij zijn overlijden is overgegaan op zijn erfgenamen appellante en de zus.
Nu appellante en de zus de nalatenschap van erflater zuiver hebben aanvaard, zijn zij op grond van het bepaalde in artikel 4:182 BW en artikel 4:184 lid 2 sub a BW elk voor een deel evenredig aan hun erfdeel met hun privévermogen aansprakelijk.
In dit geval, waarin zij beiden voor 50% van erflater hebben geërfd, zijn zij elk voor de helft van het gevorderde bedrag aansprakelijk.
Zij kunnen dus elk voor de helft van de hoofdsom van € 78.465, -, vermeerderd met de 1% rente, door geïntimeerde worden aangesproken.
Dat kan tegelijkertijd, maar dat kan ook afzonderlijk.
Er is geen sprake van een processueel ondeelbare rechtsverhouding.
Dat in dit geval beiden in één dagvaarding bij de rechtbank zijn aangesproken door geïntimeerde , maakt dat niet anders.
Procesrechtelijk is er, ook al is er in één vonnis geoordeeld, sprake van twee afzonderlijke procedures (subjectieve cumulatie).
Ook vordering II betreft geen processueel ondeelbare rechtsverhouding.
Dit is een vordering die geïntimeerde zowel tegen appellante als de zus baseert op een gestelde toezegging van appellante in de e-mail van maart 2021.
Ook daarvoor heeft zij appellante en de zus beiden aangesproken in één dagvaarding.
Ook daarvoor geldt echter dat dat twee aparte procedures betreft.
Indien geïntimeerde tegen het vonnis waarin de vorderingen zowel tegen appellante als de zus (deels) zijn afgewezen, ook ten aanzien van de zus had willen opkomen, dan had geïntimeerde daartegen zelf in principaal beroep moeten komen.
Nu geïntimeerde dat niet heeft gedaan, kan dat niet via een oproeping van de zus op de voet van artikel 118 Rv worden hersteld.
Appellante is dus ontvankelijk in haar principaal hoger beroep.
Dit betekent voor het incidenteel hoger beroep dat het verzoek van geïntimeerde om de zus op de voet van artikel 118 Rv te mogen oproepen bij gebrek aan belang geen beoordeling behoeft.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.