De Rechtbank Rotterdam heeft onlangs uitspraak gedaan over het te gelde maken van een woning met betrekking tot een legaat van gebruik en bewoning

In dit kort geding dient te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vorderingen van eisers in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van voorzieningen zoals deze zijn gevorderd.

Het navolgende omvat dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

Tussen partijen is niet in geschil dat aan gedaagde een legaat is toegekend dat haar het recht van gebruik en bewoning van de woning geeft.

Dit legaat is een schuld van de nalatenschap in de zin van artikel 4:7 lid 1 sub h BW.

Op grond van artikel 4:7 lid 2 BW in combinatie met artikel 4:120 BW kan deze schuld pas worden voldaan als de andere schulden (sub a t/m g) van de nalatenschap daaruit volledig kunnen worden voldaan.

Eisers stellen dat de liquide middelen onvoldoende zijn om de schulden van de nalatenschap te voldoen.

De woning moet worden verkocht, waarna de verkoopopbrengst moet worden aangewend om de schulden van de nalatenschap te betalen.

Gedaagde moet de woning daarom ontruimen.

De voorzieningenrechter wijst de vordering af en licht dit als volgt toe.

Erfrecht. Kort geding. Vereffening. Legaat van gebruik en bewoning. Schulden van de nalatenschap. Te gelde maken van een woning. Vordering tot ontruiming. Verzorgingsgedachte. Tegenstrijdig belang. Toetsing.

De rechter oordeelt als volgt.

De ontruiming van gedaagde is een zeer ingrijpend middel tegen de laatste wens van erflater in.

Erflater heeft immers gewild dat gedaagde na zijn overlijden in de woning kan blijven wonen.

Dat verkoop van de woning en daarmee ontruiming van gedaagde noodzakelijk is, is onvoldoende onderbouwd.

Hoewel eisers een brief van de hypotheekverstrekker hebben overgelegd, waaruit blijkt dat er is gesproken over verkoop en taxatie van de woning, blijkt uit deze correspondentie niet dat de bank deze verkoop ook daadwerkelijk en op korte termijn vereist.

Met andere woorden: eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat de hypotheekverstrekker thans de geldlening opeist en niet meer bereid is tot continuering van de relatie.

Daar komt bij dat partijen ieder een andere lezing hebben over de nakoming van de (toekomstige) renteverplichtingen van de hypothecaire geldlening door gedaagde.

Gedaagde stelt dat zij deze verplichting kan nakomen en altijd heeft willen nakomen en daartoe ook meerdere keren een aanbod heeft gedaan.

Dat een achterstand is ontstaan is in haar visie te wijten aan de weigerachtige houding van eisers, die haar niet in staat wilden stellen om daadwerkelijk de betalingen te doen.

Eisers betwisten dit. Zonder nader onderzoek, waarvoor een kort geding zich niet leent, is niet te bepalen wie van partijen het gelijk aan haar zijde heeft.

Dit aspect zal (ook) aan de orde moeten komen in een bodemprocedure.

Voorts stelt gedaagde terecht dat er – op basis van de boedelbeschrijving, als rekening is gehouden met de pensioenvrijval – voorshands geen sprake is van een negatief saldo van de nalatenschap.

Eisers gaan uit van activa ad € 417.294,75 (waarvan € 379.00 aan waarde van de woning) en € 339.089,02 aan passiva (waarvan € 133.391 aan rekening-courantschuld aan O BV).

Gedaagde gaat uit van € 502.304 aan activa, waarbij de pensioenvrijval is meegeteld, en €319.143 aan passiva.

Deze laatste berekening is niet voorshands ondeugdelijk.

Op zich is wel aannemelijk dat er nu een probleem is, omdat er onvoldoende liquiditeit is om nu de gestelde schulden te voldoen.

Dat volstaat echter niet.

Van die schulden staat onvoldoende vast dat die nu opeisbaar zijn en dat die met zoveel spoed moeten worden voldaan dat een bodemprocedure niet kan worden afgewacht.

De spoedeisendheid bij de betaling van de schulden bij de Belastingdienst is niet behoorlijk onderbouwd.

Er is weliswaar een aanslag overgelegd en eisers verwachten nog een belastingaanslag (in zoverre is ook van opeisbaarheid geen sprake), maar niet gesteld of gebleken is dat invorderingsmaatregelen worden getroffen en/of dat de Belastingdienst, gegeven de situatie, niet bereid is om een bodemprocedure af te wachten.

Voor de situatie met de Vereniging van Eigenaren – die gedaagde grotendeels betwist – geldt in grote lijnen hetzelfde.

Dat de verhouding tussen gedaagde en de (voorzitter van de) VvE niet goed is vormt geen zelfstandig belang bij de vordering.

Tenslotte is van belang dat er naar het zich laat aanzien sprake is van een zeer aanzienlijke overwaarde van de woning en dat niet behoorlijk is onderbouwd dat lege verkoop op korte termijn de enige reële optie is.

Daarbij komt dat gedaagde er terecht op wijst dat eisers niet alleen vereffenaars zijn, maar ook de grootste schuldeisers van de nalatenschap.

De rekening-courantschuld van erflater aan O B.V., van welke vennootschap nu de aandelen in handen van eisers zijn en die kennelijk ook door hen wordt bestuurd, is immers de grootste schuld.

Dat betekent, dat sprake is van een tegenstrijdig belang.

Al het voorgaande maakt dat niet voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat de woning verkocht moet worden en dat gedaagde die dus moet verlaten.

Een belangenafweging valt voorts in het voordeel van gedaagde uit.

Toewijzing van de vordering is niet alleen in strijd met de uitdrukkelijke wens van haar overleden levenspartner, maar betekent ook dat zij op straat komt te staan.

Niet aannemelijk is dat zij, gelet op de huidige woningmarkt, op korte termijn een andere woning zal krijgen.

Het belang van eisers om snel te vereffenen op de manier die hen het beste uitkomt weegt daartegen niet op.

De vordering is derhalve niet toewijsbaar.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.