Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft onlangs uitspraak gedaan over de verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording bij een gestelde onttrekking van gelden uit de nalatenschap,

Het geschilpunt dat partijen verdeeld houdt, is of geïntimeerde gehouden is om rekening en verantwoording af te leggen, zoals appellanten hebben gevorderd en geïntimeerde  heeft betwist.

Appellanten hebben hun stelling dat geïntimeerde gehouden is rekening en verantwoording af te leggen in de eerste plaats gebaseerd op een overeenkomst van opdracht.

Mocht daarvan geen sprake zijn, dan vloeit deze verplichting volgens hen voort uit een regel van het ongeschreven recht.

Geïntimeerde heeft deze stellingen gemotiveerd betwist.

Erfrecht. Verdeling nalatenschap. Onttrekking van gelden uit nalatenschap? Afleggen van rekening en verantwoording. Overeenkomst van opdracht. Familieverhoudingen.

De rechter oordeelt als volgt.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording stelt het hof het volgende voorop.

Volgens vaste rechtspraak (Hoge Raad van 9 mei 2014, HR:2014:1089) kan een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording worden aangenomen als tussen partijen een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan op grond waarvan de een jegens de ander (de rechthebbende) verplicht is om zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te verantwoorden.

Een zodanige verhouding kan voortvloeien uit de wet, een rechtshandeling of ongeschreven recht (HR 2 december 1994, HR:1994:ZC1561 en HR 8 december 1995, HR:1995:ZC1911.

Aan het oordeel dat op grond van ongeschreven recht een verplichting bestaat om zich te verantwoorden over de behoorlijkheid van het over het vermogen van een ander gevoerd beheer, kan bijdragen dat sprake is van een rechtsverhouding die verwantschap vertoont met een of meer in de wet geregelde gevallen waarin een dergelijke verplichting is neergelegd, zoals gemeenschap, opdracht of zaakwaarneming.

Voor het overige is het antwoord op de vraag of een zodanige verantwoording geboden is, sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

Omstandigheden die in dit verband een rol kunnen spelen zijn onder meer: (i) de redenen waarom het beheer is gevoerd, (ii) de verhouding die bestond tussen degene die het beheer voerde en de rechthebbende, (iii) hetgeen in de relatie tussen partijen of in soortgelijke gevallen gebruikelijk is of was, (iv) de mate waarin degene die het beheer voerde, zelfstandig kon en mocht handelen, en (v) de mate waarin de rechthebbende in staat is geweest de handelingen van degene die het beheer voerde te overzien en voor zijn belangen op te komen.

De overeenkomst van opdracht wordt beschreven in artikel 7:400 lid 1 BW.

Dat artikel definieert de overeenkomst van opdracht als de overeenkomst waarbij de ene partij, de opdrachtnemer, zich jegens de andere partij, de opdrachtgever, verbindt anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst werkzaamheden te verrichten die in iets anders bestaan dan het tot stand brengen van een werk van stoffelijke aard, het bewaren van zaken, het uitgeven van werken of het vervoeren of doen vervoeren van personen of zaken.

De overeenkomst van opdracht verplicht de opdrachtnemer tot het verrichten van werkzaamheden.

Hiermee onderscheidt de regeling van opdracht zich van de enkele volmacht, waar een dergelijke plicht in beginsel niet bestaat.

Volgens artikel 7:406 lid 1 BW moet de opdrachtgever aan de opdrachtnemer de onkosten verbonden aan de uitvoering van de opdracht vergoeden, voor zover deze niet in het loon zijn begrepen.

In deze zaak is niet komen vast te staan dat sprake is geweest van een in een (notariële) akte neergelegde algemene volmacht of opdracht.

Wel staat vast – geïntimeerde heeft dit ook erkend- dat geïntimeerde in de laatste tien jaren van het leven van erflaatster de (mantel)zorg voor haar op zich heeft genomen, samen met zijn echtgenote.

Deze zorg werd intensiever toen zij werd opgenomen in het woonzorgcentrum van stichting A.

Toen erflaatster nog zelfstandig woonde, betekende dit dat geïntimeerde met enige regelmaat contante opnames deed.

Vanaf 2010 was hij gevolmachtigd om voor erflaatster met een eigen bankpas bankzaken te regelen en nam hij met enige regelmaat ook contante bedragen op.

Vanaf 2013, na de opname van erflaatster in het woonzorgcentrum, was geïntimeerde de enige die nog contante pinopnames deed met de bankpas.

Vanaf februari 2014, toen erflaatster al was opgenomen in het woonzorgcentrum, werd de betaalrekening van erflaatster toegevoegd en vanaf dat moment ontving hij ook de post van de bank.

Daardoor kon geïntimeerde ook online overboekingen uitvoeren en kreeg hij (mede) het beheer over de rekening van erflaatster.

Hij pinde ook regelmatig contante bedragen van de bankrekening van erflaatster, deed pintransacties voor boodschappen, kleding en dergelijke en deed overboekingen vanuit haar rekening.

Verder heeft geïntimeerde verklaard dat hij de brandstofkosten, kosten voor het wassen en andere kosten vergoed kreeg van moeder.

Ook bestond er volgens geïntimeerde een afspraak met erflaatster dat hij een kilometervergoeding kreeg van 0,50 cent, met haar bankpas mocht tanken en dat hij weleens bedragen van haar kreeg.

Geïntimeerde heeft de ene keer aangevoerd dat hij de contante pinopnames ‘op verzoek van’ zijn moeder deed; de andere keer dat hij dit ‘in opdracht’ van zijn moeder deed.

Uit het voorgaande leidt het hof af dat geïntimeerde weliswaar bevoegd was/gevolmachtigd was om over de rekeningen van erflaatster te beschikken en dat hij zich hiertoe ook moreel verplicht voelde, maar niet dat is komen vast te staan dat sprake was van een verplichting als bedoeld in artikel 7:400 lid 1 BW.

Daarbij weegt het hof mee dat sprake is van een familieverhouding, waarbij het gebruikelijk is dat een familielid -juist vanwege die familierelatie- overgaat tot het verlenen van bijstand en zorg.

Geïntimeerde heeft in dat verband ook aangevoerd dat hij dit altijd geheel vrijwillig ‘met liefde’ heeft gedaan.

Dat hij de door hem gemaakte benzinekosten vergoed kreeg, leidt niet tot een ander oordeel.

Geïntimeerde heeft in dat verband aangevoerd dat hij meerdere keren per week bij zijn moeder langs ging en dat zijn vrouw het beddengoed en de kleding waste en daarvoor een vergoeding kreeg.

Verder nam hij haar mee naar ziekenhuisafspraken, ging hij met haar lunchen en regelde hij andere zaken voor haar.

Het is dan -gelet op de familieverhouding- niet uitzonderlijk dat daar enige (onkosten)vergoeding tegenover staat.

Dit betekent echter niet zonder meer dat dit leidt tot een verplichting van geïntimeerde tot het doen van rekening en verantwoording.

Feiten en omstandigheden die in de richting wijzen dat sprake was van een dergelijke verplichting hebben appellanten niet, althans onvoldoende gesteld.

Het hof is daarom van oordeel dat de gestelde overeenkomst van opdracht niet is komen vast te staan en dat op basis daarvan geen verplichting voor geïntimeerde tot het afleggen van rekening en verantwoording kan worden aangenomen.

De volgende vraag die beantwoord moet worden is of een dergelijke verplichting uit regels van ongeschreven recht voortvloeit.

Voor het antwoord op die vraag zijn, zoals hiervoor in rechtsoverweging 4.23 is weergegeven, alle omstandigheden van belang, waaronder de daarin onder i tot en met v genoemde omstandigheden.

In deze zaak staat vast dat het ging om (mantel)zorg in een familieverhouding waarbij appellanten niet hebben bestreden dat geïntimeerde zelfstandig kon en mocht handelen.

Partijen verschillen van mening over de mate waarin erflaatster in staat is geweest de handelingen van geïntimeerde te overzien en voor haar belangen op te komen.

Appellanten menen dat erflaatster vanaf het moment dat zij is opgenomen in het woonzorgcentrum, niet meer in staat was de handelingen van geïntimeerde te overzien en voor haar belangen op te komen.

Geïntimeerde heeft zich daarentegen op het standpunt gesteld dat het besef van erflaatster tot in de laatste fase van haar leven nog goed was en ook dat zij geïntimeerde nimmer ter verantwoording heeft geroepen.

Het hof overweegt dat het uitgangspunt is dat de stelplicht (en zo nodig de bewijslast) van die stelling van appellanten op hen rust.

Zij beroepen zich immers op feiten en omstandigheden die tot een rekening- en verantwoordingsplicht kunnen leiden.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.