De Rechtbank Gelderland heeft onlangs uitspraak gedaan over de aanvaarding van een nalatenschap en het stellen van een termijn voor de wijze van aanvaarding.
Verzoekers verzoeken de rechtbank te verklaren voor recht dat de termijn waarbinnen verweerder zich moet uitlaten over de aanvaarding van de nalatenschap in de zin van artikel 4:192 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is aangevangen op 27 februari 2025, en/of dat verweerder wordt geacht de nalatenschap van erflaatster beneficiair te aanvaarden indien hij op 27 mei 2025 geen rechtsgeldige andersluidende keuze heeft gemaakt, althans op een datum als uw rechtbank passend oordeelt.
Erfrecht. Verdeling nalatenschap. Aanvaarding van een nalatenschap. Stellen van een termijn voor wijze van aanvaarding. Verklaring voor recht. Verzoekschriftprocedure.
De rechter oordeelt als volgt.
Op grond van artikel 3:302 BW dient in beginsel een verklaring voor recht te worden gevorderd in een dagvaardingsprocedure.
Op basis van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan een verklaring voor recht worden uitgesproken in een verzoekschriftprocedure mits deze blijft binnen de grenzen van artikel 3:303 BW en zich beperkt tot de vaststelling van de rechtsverhouding in geschil tussen partijen.
De rechtbank is van oordeel dat het onderhavige verzoek voldoet aan de eisen die worden gesteld in artikel 3:303 BW, verzoekers belang hebben bij dit verzoek en dat de verklaring ziet op de rechtsverhouding tussen verzoekers, verweerder en de belanghebbenden.
De door verzoekers verzochte verklaring voor recht heeft betrekking op de keuze die verweerder dient te maken ten aanzien van het (beneficiair) aanvaarden of verwerpen van de nalatenschap van erflaatster.
Op grond van artikel 4:192 lid 4 BW wordt een erfgenaam die nog geen keuze heeft gedaan, geacht beneficiair te aanvaarden wanneer een of meer van zijn mede-erfgenamen door een verklaring beneficiair aanvaarden, tenzij hij alsnog de nalatenschap zuiver aanvaardt of verwerpt binnen drie maanden nadat hij van die beneficiaire aanvaarding kennis heeft gekregen.
Uit het boedelregister volgt dat verweerder nog geen verklaring over zijn keuze als bedoeld in artikel 4:190 BW ten aanzien van de nalatenschap van erflaatster heeft afgelegd (artikel 4:191 lid 1 BW).
Verzoekers hebben gesteld dat zij verweerder bij deurwaardersexploot van 27 februari 2025 ervan op de hoogte hebben gesteld dat zowel verzoekers als de belanghebbenden de nalatenschap van erflaatster beneficiair hebben aanvaard.
Verweerder heeft niet betwist dat hij op 27 februari 2025 kennis heeft genomen van de beneficiaire aanvaarding door zijn mede-erfgenamen.
De rechtbank is daarom van oordeel dat is komen vast te staan dat de drie maanden termijn van artikel 4:192 lid 4 BW op 27 februari 2025 is aangevangen.
Met het aanvangen van de drie maanden termijn op 27 februari 2025 had verweerder uiterlijk tot 28 mei 2025 de gelegenheid om een verklaring van verwerping of zuivere aanvaarding bij het boedelregister te laten inschrijven.
Nu uit het boedelregister blijkt dat verweerder daarvan geen gebruik heeft gemaakt, wordt verweerder geacht de nalatenschap van erflaatster beneficiair te hebben aanvaard.
De rechter zal aantekening van deze beneficiaire aanvaarding laten maken in het boedelregister.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de verzochte verklaring voor recht afgeven.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.