Van onze advocaat verdeling erfenis. Het Gerechtshof Den Haag heeft op 14 mei 2019 uitspraak gedaan over de bevoegdheid van de Nederlandse rechter bij een samenhangende, gelijktijdige procedure in het buitenland (België).
IPR. Internationaal erfrecht. Incidentele vordering. Bevoegdheid rechter? Aanhouden hoofdzaak in hoger beroep in verband met samenhang Belgische procedures? Samenhang met hoofdzaak?
B verweert zich tegen de incidentele vordering van appellante met de stelling dat het hof internationaal niet bevoegd is daarover te oordelen.
De rechter oordeelt als volgt.
Dit verweer faalt. De incidentele vordering vloeit voort uit hetzelfde feitencomplex als dat waarop B haar vordering in conventie baseert, zodat het hof op voet van artikel 8 lid 3 Brussel 1 bis bevoegd is om daarover te oordelen (vgl. HR 8 december 2017, NJ 2018/6).
B stelt verder dat de gevraagde voorziening niet toewijsbaar is omdat gelijke voorzieningen reeds tot tweemaal toe, tussen dezelfde partijen, zijn geweigerd door de Belgische rechter, oordelend in kort geding.
Deze Belgische beslissingen dienen volgens B door het hof te worden erkend (artikel 36 Brussel 1 bis).
Zij hebben volgens B naar Belgisch recht gezag van gewijsde in kort geding, en volgens haar dus ook in relatie tot de door appellante in de onderhavige procedure gevraagde voorlopige voorziening.
Ook dit verweer faalt. Naar Nederlands recht komt een in kort geding gegeven (afwijzende) beslissing geen gezag van gewijsde toe.
Aan een buitenlands (Europees) in kort geding gegeven (afwijzende) beslissing hoeft de Nederlandse rechter daarom evenmin gezag van gewijsde toe te kennen (vgl. HvJEG 28 april 2008, zaak C-420/07, EU:C:2009:271, r.o. 66).
Hierbij komt nog het volgende. De Belgische beslissingen waarop B een beroep doet zijn beschikkingen in kort geding van de rechtbank van de eerste aanleg Antwerpen, afdeling Mechelen, van 2 juli en 28 december 2018.
In de beschikking van 2 juli 2018 heeft de rechtbank het gevraagde provisionele vervreemdingsverbod afgewezen omdat volgens de rechtbank erflater en appellante de voor hun vordering aangevoerde “hoogdringendheid” aan zichzelf hadden te wijten.
In de daarna gegeven beschikking van 28 december 2018 heeft de rechtbank, ondanks de eerdere afwijzende beschikking, het gevraagde provisionele vervreemdingsverbod andermaal inhoudelijk beoordeeld.
In die beschikking overwoog de rechtbank onder meer dat de inmiddels plaatsgevonden verkoop van het Haagse appartement en de omstandigheid dat B geen transparantie had geboden omtrent de uiteindelijke bestemming van de uit deze verkoop bekomen geldsom, een ander licht wierp op de te koop aangeboden Belgische woning en het risico op het bewust pogen weg te maken van activa.
Bij hoogdringendheid zouden bewarende maatregelen zich volgens de rechtbank dan ook kunnen opdringen. Uiteindelijk achtte de rechtbank geen hoogdringendheid aanwezig, vanwege het bewarende beslag dat erflater en appellante reeds op (onder meer) de Belgische woning hadden doen leggen.
Appellante voert in het onderhavige incident echter aan dat de vordering ter verzekering waarvan dat beslag is gelegd, en van welk beslag B opheffing vordert, de vordering van Q Vastgoed is, waarin appellante stelt te zijn getreden.
Dat is een andere vordering/grondslag dan die ter verzekering waarvan zij in het onderhavige incident thans het vervreemdingsverbod vordert.
Uit de beschikking van de Antwerpse rechtbank van 28 december 2018 blijkt niet dat deze dit aspect in haar beoordeling heeft betrokken, en BCI stelt dit ook niet. In zoverre is het thans door appellante gestelde belang bij het door haar provisioneel gevorderde vervreemdingsverbod in de Belgische procedures niet beoordeeld, laat staan ongenoegzaam bevonden. In tegendeel, losgezien van het beslag (hoogdringendheid) vond de Antwerpse rechtbank kennelijk juist dat dat belang zich kon opdringen.
In de onderhavige procedure voert appellante in essentie aan dat erflater en zij onder meer door middel van de hiervoor genoemde betalingen meer dan € 1,6 miljoen hebben geïnvesteerd in de Belgische woning en het Haagse appartement (koopprijs totaal € 1.402.500), dat zij de (indirecte) eigendom daarvan nu kwijt lijkt te zijn, en geen zicht heeft op enige opbrengst. Zij kwalificeert deze gang van zaken als oplichting door de bestuurder en diens vader (mede met gebruikmaking van B).
Het provisionele vervreemdingsverbod strekt ertoe dat het nog aanwezige (verhaals)actief (de Belgische woning) niet lopende de onderhavige procedure buiten (verhaals)bereik raakt.
Appellante stelt dat erflater en zij voor het Haagse appartement slechts huur hebben willen betalen vanwege het fiscale voordeel (eerder woonden zij er om niet), op basis van hun veronderstelling dat zij steeds rechthebbende waren met betrekking tot de aandelen in B en dat de huuropbrengsten dus ook (indirect) naar henzelf zouden vloeien. Voor zover de huurovereenkomst al als geldig zou worden aangemerkt, vraagt appellante om vernietiging vanwege de door haar gestelde oplichting, op grond van dwaling, bedrog en/of misbruik van omstandigheden. Op die grondslag vraagt zij ook om de restitutie van reeds betaalde huur.
Inhoudelijk betwist B de gestelde oplichting, met name door erop te wijzen dat appellante als gevolg van de diverse transacties vorderingen heeft verkregen op Q Vastgoed (geldlening) en Green (koopprijs aandelen).
Erflater en appellante zijn volgens B dus niet opgelicht. Verder stelt B dat wat er ook zij van de door appellante gestelde oplichting, deze volgens de eigen stellingen van appellante niet anders dan op het niveau van de aandelen in B kan worden gesitueerd, en dat dat er niet aan kan afdoen dat erflater en appellante een huurovereenkomst met B hebben willen sluiten, en daartegenover ook gewoon het huurgenot hebben gehad. Of de huur vervolgens wel of niet (indirect) terug in hun eigen vermogen zou vloeien, staat daar volgens B los van.
Het hof oordeelt hierover voorshands als volgt. B heeft tegenover de door appellante gestelde oplichting vooralsnog geen inzicht verschaft in de gegoedheid van haarzelf en van de door haar bestuurder/indirecte aandeelhouder (de bestuurder en diens vader) gecontroleerde vennootschappen Q Vastgoed en G als debiteuren.
Evenmin heeft zij, vooralsnog, een toelichting gegeven op de volgens haar op 31 maart 2014 gesloten overeenkomst van koop en verkoop van de aandelen B voor de koopprijs van € 160.000 die is omgezet in een achtergestelde lening, in het bijzonder de hoogte van die koopprijs, noch inzichtelijk gemaakt hoe de verkoopopbrengst van het Haagse appartement is aangewend.
Verder is bepaald opmerkelijk te noemen dat door het verschil in rentepercentages tussen de financieringen -Q Vastgoed enerzijds en Q Vastgoed-BCI anderzijds, Q Vastgoed daarop een marge kan maken van, sedert 1 januari 2016, € 44.786,25 op jaarbasis, en dat appellante € 10.000 per maand aan B zou hebben willen blijven betalen ondanks overdracht van de aandelen B aan G, voor door haar levenspartner (erflater) te verrichten managementwerkzaamheden, die zelf daarvoor geen tegenprestatie ontving (van B).
Dit roept zoveel vraagtekens op, dat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat het beroep van appellante op nietigheid dan wel een wilsgebrek ten aanzien van de diverse transacties, althans de huurovereenkomst met betrekking tot het Haagse appartement, in de hoofdzaak gegrond zal worden geoordeeld.
Aan B moet worden toegegeven dat erflater en appellante tegenover de door hen voor het Haagse appartement betaalde huur daadwerkelijk huurgenot ontvingen, maar dat verklaart nog niet waarom zij de huurovereenkomst hebben gesloten. Eerder woonden zij er zonder huurbetaling, en appellante heeft aannemelijk gemaakt dat de huurovereenkomst pas ruim na de door B gestelde aandelenoverdracht van 31 maart 2014 is gesloten, en dat daaraan voor erflater en appellante fiscale motieven ten grondslag lagen. Het veronderstelde fiscale motief was evenwel betekenisloos zonder gerechtigdheid tot de aandelen in B.
Een belangenafweging brengt mee dat de incidentele vordering zal worden toegewezen. Het belang van appellante om een verhaalsobject te hebben indien haar vorderingen in de hoofdzaak in de onderhavige procedure en/of in de Belgische procedures (afgezien van die ter verzekering waarvan er al beslag ligt) mochten worden toegewezen, spreekt voor zichzelf.
Die onderliggende vorderingen acht het hof in dit kader voorshands voldoende aannemelijk. Het belang van B om de Belgische woning te kunnen vervreemden en, dientengevolge, de opbrengst naar eigen inzicht te kunnen aanwenden, weegt niet daartegenop.
Het hof tekent hierbij aan dat het wel (meer) gewicht toekent aan het belang van B om de Belgische woning überhaupt te vervreemden, gelet op de kosten en het feit dat de leegstand daarvan niet bevorderlijk is voor de waardeontwikkeling ervan.
Appellante heeft er op zichzelf ook geen belang bij dat de Belgische woning als zodanig behouden blijft; het gaat haar om de (verhaalbare) vermogenswaarde ervan.
Naar het voorlopig oordeel van het Hof ligt het daarom in de rede dat een incidenteel verzoek tot opheffing van het met dit arrest uit te spreken provisionele verbod zal worden toegewezen indien B zo een verzoek zou onderbouwen met een zakelijk voorstel tot verkoop en tot securering van de verkoopopbrengst ten behoeve van B en appellante gezamenlijk (zonder dat afbreuk wordt gedaan aan rechten van bestaande gelijk- en hoger gerangschikte derden-schuldeisers), totdat daarover tussen partijen ten gronde zal zijn beslist, of anderszins een voorstel tot aanwending van de opbrengst op een wijze die genoegzaam tegemoetkomt aan de (verhaals)belangen van appellante.
Appellante vraagt om een dwangsom “per dag”. Wat zij hiermee bedoelt, gegeven dat vervreemding, bezwaring en levering doorgaans éénmalige gebeurtenissen zijn, is het hof niet aanstonds duidelijk. Gelet op de aard van het gevraagde verbod ligt het naar het oordeel van het hof in de rede om een dwangsom per overtreding op te leggen. Het hof neemt bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom de hoogte van de aankoopprijs (een actuelere waarde-indicatie is niet voorhanden) in aanmerking. De beslissing over de kosten in het incident zal worden aangehouden.
Op basis van de (onweersproken) beschrijving van appellante van de lopende procedures in België is het hof voorshands van oordeel dat deze, of sommige ervan, in de zin van artikel 30 Brussel 1 bis samenhangen met de hoofdzaak in de onderhavige procedure.
Dat geeft het hof de mogelijkheid om de hoofdzaak lopende die procedures aan te houden, voor zover althans die procedures aanhangig zijn gemaakt voorafgaand aan de aanhangigheid van de onderhavige procedure.
Vanwege de veelheid aan procedures, terwijl bovendien, naar het zich laat aanzien, de door appellante gestelde oplichting zal moeten worden beoordeeld (mede) naar Belgisch recht, ligt het in de rede om een dergelijke aanhouding serieus te overwegen.
Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen om zich nader over de lopende Belgische procedures uit te laten, in het bijzonder ook over de materiële reikwijdte van de burgerlijke partijstelling in het kader van de strafklacht tegen de bestuurder en diens vader (in hoeverre die zaak samenhangt met de onderhavige) (vgl. HvJEG 22 oktober 2015, zaak C-523/14, EU:C:2015:722 (Aertssen c.s./VSB c.s.)), over het tijdstip van aanhangigheid van de diverse procedures, alsook over de wenselijkheid van aanhouding van de hoofdzaak in de onderhavige procedure.
Volledigheidshalve vermeldt het hof dat een eventuele aanhouding als hier bedoeld, niet behoeft te verhinderen dat een incidenteel verzoek zoals hiervoor bedoeld, wordt gedaan; ook overigens kan een aanhouding op de voet van artikel 30 Brussel 1 bis, al dan niet op verzoek, worden beëindigd.
Het voorgaande laat vanzelfsprekend onverlet dat partijen eenstemmig kunnen vragen om doorhaling (totdat een partij deze weer opbrengt) van de onderhavige procedure.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over de verdeling van een erfenis, over het internationale erfrecht, over bevoegdheid van de rechter of over het toe te passen recht in het IPR, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.