Van onze advocaat verdeling erfenis. De Rechtbank Oost-Brabant heeft op 14 mei 2019 uitspraak gedaan over een WOZ-aanslag op naam van de gezamenlijke erven. Voor eiser stond als individuele erfgenaam de weg open van het (op eigen titel) indienen van een bezwaarschrift tegen de WOZ-beschikking.

Partijen verschillen van mening of eiser belanghebbende is en uit dien hoofde bezwaar heeft kunnen indienen tegen de opgelegde aanslag.

Mevrouw M is in 2015 overleden. Eiser heeft aangevoerd dat hij één van de twee executeurs en voor 29,5% erfgenaam is en als legaat op 21 maart 2017 de woning in eigendom heeft ontvangen. Hij is van mening dat de erfenis op 1 januari 2017 nog niet was afgewikkeld en de gezamenlijke erven derhalve de OZB ieder voor hun deel van de erfenis moeten betalen.

Verweerder heeft eiser niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar, omdat de aanslag niet op zijn naam is gesteld (maar op naam van de erven) en eiser derhalve geen belanghebbende is.

Verweerder heeft eiser erop gewezen dat hij, omdat hij eigenaar geworden is van de woning, op basis van artikel 26 van de Wet WOZ een WOZ-beschikking op verzoek kan aanvragen. Verder heeft verweerder eiser gewezen op de verhaalsmogelijkheid van artikel 253, derde lid, van de Gemeentewet.

WOZ-aanslag op naam van de gezamenlijke erven. Voor eiser stond als individuele erfgenaam de weg open van het (op eigen titel) indienen van een bezwaarschrift tegen de WOZ-beschikking.

De rechter oordeelt als volgt.

Onder verwijzing naar het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 24 augustus 2017 (GHAMS:2017:4759) – waarin ook het arrest van de Hoge Raad van 19 juni 2015 (HR:2015:1668) wordt besproken – en onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van 20 december 2018 (RBOBR:2018:6414) overweegt de rechtbank als volgt.

Indien een WOZ-beschikking wordt te naam gesteld van ‘de erven’ zijn daartegen de volgende drie rechtsingangen mogelijk:

– voor de erven gezamenlijk: voor hen bestaat de mogelijkheid gezamenlijk in bezwaar op te komen tegen de beschikking (waarbij zij zich kunnen laten vertegenwoordigen door een namens de erven daartoe gevolmachtigde persoon);

– voor de individuele erfgenaam die rechthebbende is tot een nog onverdeelde nalatenschap: ofwel de weg van rechtstreeks bezwaar tegen de WOZ-beschikking op de voet van artikel 26a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR),
ofwel de weg van bezwaar tegen een medebelanghebbende-beschikking op de voet van artikel 28 van de Wet WOZ.

De belastingplichtige dient hierin wel een keuze te maken en een rechtsmiddel kan slechts eenmaal aangewend worden, aldus het gerechtshof.

In het onderhavige geval is door eiser als individuele erfgenaam en rechthebbende (tijdig) bezwaar aangetekend.

Dat ook verweerder eiser aanmerkt als erfgenaam volgt uit verweerders brief van 17 juli 2018 aan eiser, die als een reactie moet worden gezien op het retour zenden van de aanslag, waarin staat: “Hiervoor hebben wij de akte opgevraagd via het Kadaster. Hieruit blijkt dat u mede aangewezen bent als executeur en afwikkelingsbewindvoerder van de nalatenschap van mevrouw M. Tevens bent u zowel als uw partner voor 295/1000e deel erfgenaam. Dus gezamenlijk bent u voor meer dan de helft erfgenaam van de nalatenschap.”

Gelet op het onder rechtsoverweging overwogene vermelde stond voor eiser als individuele erfgenaam de weg open van het (op eigen titel) indienen van een bezwaarschrift tegen de WOZ-beschikking.

Verweerder heeft het bezwaar daarom onterecht niet-ontvankelijk verklaard.

Het beroep is gegrond en de bestreden uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. De heffingsambtenaar zal een nieuwe (inhoudelijke) uitspraak op het bezwaar van eiser moeten doen met inachtneming van deze uitspraak.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in artikel 8:75 van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte reiskosten voor het bijwonen van de zitting. Verweerder heeft de hoogte van het door eiser daarvoor gestelde bedrag aan reiskosten niet weersproken. Deze kosten stelt de rechtbank ter zake van reiskosten vast op € 21,68. Dit betekent dat verweerder aan eiser een bedrag van € 21,68 aan proceskosten dient te vergoeden.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het waarderen van onroerend goed in een nalatenschap of over de WOZ in het erfrecht , belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.