Van onze advocaat verdeling erfenis. De Rechtbank Midden-Nederland heeft op 4 juli 2017 uitspraak gedaan over een erfenis met vruchtgebruik met interingsbevoegdheid en bewind, en in dat verband over zeggenschapsrechten op aandelen, dividenduitkeringen en een aandeelhoudersbesluit.

De uitleg van het testament

Partijen twisten over de inhoud van het testament. De voorzieningenrechter stelt het volgende voorop. Krachtens artikel 4:46 dient bij de uitlegging van een uiterste wilsbeschikking te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt. Op grond van het tweede lid van dit artikel mogen daden en verklaringen van de erflater buiten de uiterste wil slechts dan voor uitlegging van een beschikking worden gebruikt, indien deze zonder die daden of verklaringen geen duidelijke zin heeft.

De advocaat van eiseres wijst er op dat dit testament op 16 december 2000 onder oud recht is gemaakt, vlak voor de wijziging van het erfrecht op 1 januari 2003. Om de langstlevende ongestoord te kunnen laten voortleven (dit is de morele norm die met ingang van 1 januari 2003 in de wet is verankerd) werden naar oud recht in de notariële praktijk voornamelijk twee soorten testamenten gemaakt, namelijk de ouderlijke boedelverdeling en het vruchtgebruiktestament. Als geen testament was gemaakt konden de kinderen hun erfdeel naar oud recht immers opeisen. Op grond van de bepalingen in het testament komt aan eiseres toe het vruchtgebruik, dat wil zeggen het genot van het landgoed, de dividenden en de rente op spaarsaldi. Aan dit vruchtgebruik is de bevoegdheid tot vervreemding en vertering gekoppeld. Eiseres mag dus de hele nalatenschap opsouperen zonder rekening te houden met de erfgenamen, aldus de advocaat van eiseres.

De voorzieningenrechter oordeelt voorshands dat uit de hiervoor onder geciteerde bepalingen blijkt dat erflater bij zijn uiterste wil tot uitgangspunt heeft genomen de verzorging van eiseres naast zijn wens een deel van zijn nalatenschap na te laten aan de stichtingen, doch aan de verzorging van eiseres grote(re) prioriteit heeft willen geven. Met het vruchtgebruik van de nalatenschap is aan eiseres ook de bevoegdheid gegeven op het landgoed, dat zij voorheen samen met erflater bewoonde, te wonen. Voorop staat dat eiseres daartoe gerechtigd is.

Gedaagde en de stichtingen stellen dat dit niet redelijk is omdat er te veel wordt ingeteerd op de nalatenschap. Zij willen dat het landgoed wordt verkocht en eiseres dit verlaat en stellen te gaan procederen om het vruchtgebruik teniet te doen, daarbij wijzend op het belang van instandhouding van het kapitaal. Gedaagde met de stichtingen aan zijn zijde, wijst er op dat eiseres het landgoed dient te onderhouden en de daaraan verbonden lasten moet voldoen. Gedaagde heeft ter zitting medegedeeld dat eiseres al teveel heeft “verteerd”. Desgevraagd bleek vooral sprake te zijn van een herwaardering van het landgoed en niet van intering op het kapitaal van de nalatenschap door uitkering van bedragen aan eiseres. Wat er precies door eiseres is ingeteerd hebben gedaagde en de stichtingen verder niet onderbouwd. De stichtingen stellen dat er sprake moet zijn van een dringende reden om in te teren op het kapitaal van de nalatenschap.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Het vruchtgebruik van het landgoed met de interings- en vervreemdingsbevoegdheid staat voorop. Er hoeft dus geen sprake te zijn van een “dringende reden” om in te teren op het nalatenschapskapitaal. Een dergelijke clausulering is niet aan de interingsbevoegdheid gekoppeld. Wel is in het kader van het door de bewindvoerders te voeren bewind over het nalatenschapskapitaal een belangenafweging voorgeschreven in het testament als volgt: “Zoals uit één en ander blijkt beoog ik met dit bewind, naast de administratie en instandhouding van het kapitaal, ook de redelijke belangen van de vruchtgebruiker, waarvoor zo nodig het belang van de instandhouding van het kapitaal moet wijken en waarbij de andere bewindvoerder en de hoofdgerechtigden ernstig met de wensen van de vruchtgebruiker rekening zullen moeten houden en de bewindvoerders uiteindelijk beslissen.”

Het belang van eiseres tot bewoning van het landgoed en het kunnen beschikken over voldoende middelen van bestaan is een wens van eiseres waarmee “ernstig” rekening moet worden gehouden door de bewindvoerders. Daar komt bij dat erflater heeft bepaald: “voor zover nodig verleen ik daartoe met inachtneming van de bewindsbepalingen aan de vruchtgebruiker het recht tot vervreemding der vruchtgebruiksgoederen”. De beslissing of het landgoed moet worden verkocht is dus aan eiseres.

Begrijpt de voorzieningenrechter gedaagde en de stichtingen goed, dan stellen zij dat de bewoning van het landgoed door eiseres op grond van het door haar uitgeoefende vruchtgebruik, geen redelijk belang is. De vraag is of dit voldoende is om de belangenafweging, gelet op het voorgaande, in het voordeel van de stichtingen te doen doorslaan. Voor de invulling van de belangenafweging verwijzen beide partijen naar de brief van erflater aan de notaris van 8 november 2000, kort voor het maken van het testament. Deze brief besluit met de zinsnede: De executie van het testament moet worden opgeschort totdat eiseres dit zal aangeven”. Hieruit blijkt eveneens dat erflater de beslissing over het wonen op het landgoed en of dit moet worden verkocht heeft willen voorbehouden aan eiseres. Daarmee is ook duidelijk hoe zwaar erflater het belang van eiseres bij het bewonen van het landgoed heeft willen laten wegen. Voor wat betreft de belangen van de stichtingen: in welke mate sprake is van intering op het nalatenschapskapitaal is door gedaagde niet onderbouwd en door de stichtingen evenmin. Hoewel dat niet op de weg van eiseres ligt, heeft eiseres hierover onbetwist ter zitting gesteld dat in de afgelopen 14 jaar gemiddeld een bedrag van € 11.643 per jaar is ingeteerd op het nalatenschapskapitaal. De gedaagde heeft een uitkeringstest overgelegd waaruit blijkt dat er in de gedaagde, naast het ter dekking van de pensioenaanspraken van eiseres aangehouden kapitaal, een bedrag van € 222.571 vrij uitkeerbaar is. Bij deze stand van zaken komt de voorzieningenrechter voorshands tot de conclusie dat eiseres het ongestoord vruchtgebruik van het landgoed heeft en aan eiseres uitkeringen uit het nalatenschapskapitaal dienen te worden gedaan, die haar in staat stellen het landgoed te blijven bewonen en die tegemoetkomen aan de verzorgingsgedachte van erflater.

Uitkeringen aan eiseres uit het nalatenschapskapitaal

Het landgoed moet worden onderhouden en de daaraan verbonden kosten en lasten moeten worden voldaan. Volgens gedaagde en de stichtingen moeten die kosten en lasten worden voldaan door eiseres en gedaagde verleent geen toestemming om de daarmee gemoeide bedragen uit het nalatenschapskapitaal te voldoen. Zonneklaar is echter dat eiseres, met haar AOW daartoe niet in staat is. Zij heeft onderbouwd gesteld dat zij maandelijks € 2.622,70 voor haar levensonderhoud te kort komt en thans diverse schulden heeft. Omdat aan het vruchtgebruik ook een bevoegdheid tot intering is gekoppeld, kan eiseres daarvoor aanspraak maken op uitkeringen uit de nalatenschap, hetgeen zij met haar vorderingen ook doet. De opmerking van gedaagde ter zitting, dat eiseres in een goedkopere auto kan rijden en dat zijn eigen vrouw dat ook doet, raakt kant noch wal. Het gaat hier immers niet om wat de vrouw van gedaagde gewoon is van haar man te ontvangen, maar om wat passend is voor eiseres. Er niets gesteld dat een aanwijzing bevat dat de door eiseres in haar behoeftelijst gestelde bedragen bovenmatig zijn. Deze behoefte is in eerste instantie gebaseerd op de huwelijkse behoefte van eiseres (gebaseerd op de Hof-norm) met een flinke versobering daarvan. Voor het overige heeft gedaagde vooral betoogd dat eiseres (thans 77 jaar oud) zelf inkomsten moet verwerven door de exploitatie van het landgoed. Van een dergelijke verplichting blijkt niet uit het testament, zodat de voorzieningenrechter deze stelling passeert. De hoogte van het onder gevorderde maandelijkse bedrag acht de voorzieningenrechter voorshands redelijk en passend in het kader van deze voorlopige voorziening.

Ter zitting heeft de voorzieningenrechter al uitgelegd, dat nu het inkomen van eiseres ontoereikend is, gelet op het vruchtgebruik met interingsbevoegdheid er bedragen uit het nalatenschapskapitaal moeten worden uitgekeerd. Door daaraan niet mee te werken heeft gedaagde de nijpende financiële situatie waarin eiseres zich thans bevindt in de hand gewerkt. Onder verwijzing naar het hiervoor gestelde zal de voorzieningenrechter daarom ook het gevorderde bedrag ineens, toewijzen.

De positie van de B.V. en uitkeringen uit de B.V.

De stichtingen stellen dat uit de door de gedaagde B.V. overgelegde stukken zou blijken dat er geen dividend kan worden opgenomen. De gedaagde B.V. stelt, onder verwijzing naar de overgelegde jaarstukken 2016 en de uitkeringstest, dat een bedrag groot € 222.571 in de gedaagde B.V. vrij uitkeerbaar is. Het overige vermogen wordt aangehouden ter dekking van de pensioenverplichtingen aan eiseres. De stichtingen hebben hun stelling op dit punt niet verder onderbouwd. Op grond hiervan passeert de voorzieningenrechter de stelling van de stichtingen.

Voorts stellen de stichtingen dat de gedaagde B.V. al jaren verlies draait. De voorzieningenrechter ziet niet welke conclusie de stichtingen aan deze stelling hebben verbonden. Ter zitting heeft de voorzieningenrechter de stichtingen reeds voorgehouden dat uit de jaarstukken 2016 blijkt dat er geen personeelsleden bij de gedaagde B.V. in dienst zijn en er in 2016 een verlies was van € 7.468. Gelet op het in de gedaagde B.V. aanwezige vermogen en het daarvan vrij uitkeerbare deel is dit niet een verlies dat aan uitkeringen in de weg kan staan. Daaraan heeft de voorzieningenrechter ter zitting reeds toegevoegd dat het bij een gedaagde B.V. in zijn algemeenheid normaal is om in te teren op vermogen.

Partijen twisten over de zeggenschap op de aandelen. Volgens eiseres (de stellingen in de pleitnota in afwijking van het gestelde in de dagvaarding) oefenen de beide bewindvoerders (eiseres) en (gedaagde) gezamenlijk de zeggenschap op de aandelen uit. Daarbij trekt eiseres de parallel met de executeur en de vereffenaar. Volgens de stichtingen hebben de stichtingen de zeggenschap op de aandelen. Zij merken op dat bij de akte tot de vestiging van het vruchtgebruik niet bepaald is dat het stemrecht op de aandelen in de gedaagde B.V. toekomt aan de vruchtgebruiker. Niet gesteld of gebleken is dat de aandeelhoudersvergadering op enig moment stemrecht aan de vruchtgebruiker heeft toegekend. Daarom kunnen de beslissingen over een dividenduitkering dan wel kapitaalvermindering alleen worden genomen door de aandeelhouders, zijnde de stichtingen.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Naar huidig recht, artikel 4:171 Burgerlijk Wetboek, kunnen bij uiterste wil de bevoegdheden en verplichtingen van de bewindvoerder nader worden geregeld, ruimer of beperkter dan de uit de bepalingen van boek 4, titel 5, afdeling 7 voortvloeit. Op grond van artikel 143 Overgangswet NBW is dit artikel van toepassing op een op 1 januari 2003 reeds lopend bewind. Naar oud recht was dit niet geregeld. Erflater heeft bij testament bepaald dat de zeggenschapsrechten op de aandelen worden uitgeoefend door de beide bewindvoerders en erflater had op dat moment de volledige zeggenschap over de aandelen (erflater was enig aandeelhouder). De stichtingen hebben vanwege de bepalingen in het testament nimmer de zeggenschapsrechten op de aandelen in de gedaagde B.V. gehad. De stellingen van de stichtingen voor zover die zien op het vruchtgebruik zijn in dit verband niet relevant. Op grond hiervan neemt de voorzieningenrechter voorshands tot uitgangspunt dat de bewindvoerders tezamen de zeggenschapsrechten op de aandelen in de gedaagde B.V. uitoefenen en derhalve op grond van de testamentaire bepalingen ook beslissen over uitkeringen ten laste van de gedaagde B.V. De stichtingen krijgen, conform het testament van erflater, pas de beschikking over het nalatenschapskapitaal als het vruchtgebruik daarop is geëindigd.

De gedaagde B.V. wijst op haar statutaire doel en stelt dat voor het aangaan van overeenkomsten met een waarde van meer dan € 100.000 toestemming van de algemene vergadering van aandeelhouders (ava) nodig is. Dit is juist zodat er een ava zal moeten worden belegd teneinde daartoe een besluit te nemen. De bestuurder van de gedaagde B.V. heeft voorts gesteld dat naast een geldig ava-besluit, goedkeuring van het bestuur vereist is waarbij het bestuur van de gedaagde B.V. er op wijst dat er op dit moment een bedrag van € 222.571 kan worden uitgekeerd en het bestuur daaraan geen goedkeuring kan onthouden.

Echter, omdat de gevraagde uitkering in duur niet is begrensd kan het bestuur daaraan geen goedkeuring verlenen, omdat daaraan een positieve uitkeringstest in de weg staat. De gedaagde B.V. stelt dat het bestuur van de gedaagde B.V daarbij een eigen zwaarwegend belang heeft gelet op de sanctie van bestuurdersaansprakelijkheid in het geval de vennootschap haar pensioentoezegging niet meer kan nakomen. De voorzieningenrechter overweegt dat eiseres de (enige) gerechtigde tot de pensioenuitkeringen is. Als op grond van aan haar toegewezen vorderingen en mede door haar genomen besluiten als (mede)bewindvoerder in de uitoefening van de zeggenschapsrechten, het kapitaal van de gedaagde B.V. zodanig slinkt dat de gedaagde B.V. haar verplichtingen jegens eiseres niet meer kan nakomen, kan eiseres de bestuurders daarvoor niet aansprakelijk houden omdat zij daartoe zelf heeft besloten. Het argument ontleend aan artikel 12 van de statuten, dat het geld moet worden aangewend ten behoeve van verzekerde (eiseres) treft geen doel. De uitkeringen worden immers gedaan aan eiseres.

Gedaagde dient, in zijn hoedanigheid van bewindvoerder en in de uitoefening van de zeggenschapsrechten op de aandelen, mee te werken aan de totstandkoming van het ava-besluit tot uitkering van de door eiseres gevorderde bedragen. Blijkens de statuten van de gedaagde B.V. (artikel 13 lid 2) mag een ava en een ava-besluit binnen zes weken na een verzoek tot het uitschrijven van een ava worden verwacht. Het gaat hier om een maximale termijn. Gelet op de nijpende financiële situatie van eiseres gaat de voorzieningenrechter er van uit dat een ava, een besluit van de ava en de uitvoering daarvan spoediger, bijvoorbeeld binnen twee a drie weken na een verzoek daartoe van eiseres, zal worden belegd. Nadat dit besluit is genomen zal de gedaagde B.V. tot uitvoering daarvan moeten overgaan en dus medewerking moeten verlenen.

Voor wat de beperking van de periode waarin de uitkeringen verschuldigd zijn zal de voorzieningenrechter, gelet op de door gedaagde en de stichtingen aangekondigde procedures, bepalen dat de te treffen voorziening zal gelden totdat door partijen in onderling overleg anders zal zijn overeengekomen of in een procedure anders zal zijn beslist.

De voorzieningenrechter zal de proceskosten in deze zaak compenseren. Reden daarvoor is dat de kostenveroordelingen uiteindelijk ook ten laste zouden kunnen worden gebracht van het nalatenschapskapitaal alsook eventuele tekorten van eiseres waarin door toewijzing van de vorderingen thans is voorzien.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de verdeling van een erfenis, de uitleg van een testament of over vruchtgebruik met interingsbevoegdheid, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfrecht op 020-3980150.