Van onze advocaat verdeling erfenis. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 22 februari 2018 uitspraak gedaan over een verzoek tot opheffing van de vereffening van een nalatenschap. Was de vereffening al voltooid?

In 2013 is de erflater overleden met achterlating van zijn zoon als zijn enige erfgenaam. De zoon heeft de nalatenschap van zijn vader beneficiair aanvaard.

Tot de nalatenschap van erflater behoort een woonschip.

Tussen verweerder en de erfgenaam zijn na het overlijden van erflater geschillen ontstaan ter zake van de verwijdering van het woonschip. Verweerder heeft een vordering op [verzoeker] inzake door deze verbeurde dwangsommen en heeft daarvoor executoriaal beslag gelegd op het woonschip.

Verweerder heeft de kantonrechter verzocht op grond van artikel 4:209 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de vereffening van de nalatenschap van erflater op te heffen, met de bepaling dat de opheffing van de vereffening in het boedelregister wordt ingeschreven.

Dit artikel bepaalt dat de kantonrechter op verzoek van de vereffenaar of een belanghebbende opheffing van de vereffening dan wel een kosteloze vereffening kan bevelen, indien de geringe waarde der baten van een nalatenschap daartoe aanleiding geeft. De kantonrechter heeft dat verzoek in de bestreden beschikking afgewezen.

De advocaat van de erfgenaam is het eens met de afwijzing door de kantonrechter van het verzoek van verweerder, maar stelt dat de kantonrechter dat heeft gedaan op de onjuiste grond dat de vereffening van de nalatenschap van erflater al is voltooid.

Is de vereffening van de nalatenschap voltooid?

De rechter oordeelt als volgt.

De advocaat van de erfgenaam stelt dat de rechter ten onrechte heeft overwogen dat de vereffening is voltooid.

Het is nog onduidelijk of het woonschip moet worden verwijderd. Zolang dat niet duidelijk is, staat de omvang van de nalatenschap nog niet vast. Omdat verwijdering sloop betekent, kan dat aanzienlijke sloopkosten meebrengen. Op de mondelinge behandeling heeft de erfgenaam erop gewezen dat de verplichting om het woonschip te verwijderen en de daarmee gepaarde kosten schulden van de nalatenschap zijn en dat deze verplichtingen en schulden nog niet zijn nagekomen of voldaan.

De rechter is met de erfgenaam van oordeel dat de vereffening nog niet is voltooid.

Erflater had gedurende zijn leven een persoonlijk recht van gebruik van de ligplaats. Dat recht is geëindigd bij het overlijden van erflater. De verplichting om het woonschip te verwijderen en de daarmee gepaard gaande kosten zijn geen schulden van de erflater die niet met zijn dood zijn tenietgegaan in de zin van artikel 4:7 lid 1 onder a BW. Deze verplichtingen zijn immers pas ontstaan door het eindigen van het gebruiksrecht ten gevolge van het overlijden van de erflater.

Toch betekent dat nog niet dat deze schulden dan ook geen schulden van de nalatenschap zijn.

Artikel 4:224 BW zorgt ervoor dat de nalatenschap in het geval van wettelijke vereffening, ook als er slechts één erfgenaam is, een afgescheiden vermogen vormt.

Tot dat afgescheiden vermogen (de nalatenschap) behoren ook schulden als de onderhavige die weliswaar pas na het overlijden van de erflater zijn ontstaan, maar voortvloeien uit een voor het overlijden van de erflater al bestaande rechtsverhouding of die, zoals hier, de afwikkeling van die rechtsverhouding betreffen.

De verplichting om het woonschip te verwijderen is in die zin in elk geval een schuld van de nalatenschap. De sloopkosten zijn redelijkerwijs nodig voor het uitvoeren van de verplichting tot verwijdering van het woonschip en zijn daardoor aan te merken als kosten van vereffening van de nalatenschap in de zin van artikel 4:7 lid 1 onder c BW.

Is verweerder belanghebbende in de zin van artikel 4:209 lid 1 BW?

Nu vaststaat dat de vereffening nog niet is voltooid, ontvalt de grond aan de beslissing van de kantonrechter.

Daarmee is de vraag aan de orde of verweerder wel belanghebbende is in de zin van artikel 4:209 lid 1 BW.

Of verweerder als belanghebbende in de zin van deze bepaling is aan te merken moet worden afgeleid uit de aard van deze procedure en de daarmee verband houdende wetsbepaling(en).

Daarbij speelt een rol in hoeverre verweerder door de uitkomst van deze procedure zodanig in een eigen belang wordt getroffen dat hij daarin behoort te mogen opkomen (Hoge Raad, 6 juni 2003, HR:2003:AF9440 en Hoge Raad, 10 november 2006, HR:2006:AY8290, NJ 2007/45).

Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat verweerder als belanghebbende in de zin van artikel 4:209 lid 1 BW kan worden aangemerkt. Hij heeft belang bij opheffing van de vereffening, omdat hij daardoor de mogelijkheid krijgt in verband met zijn vordering op de erfgenaam individueel executiemaatregelen te treffen ten aanzien van het woonschip. Bovendien is hij niet alleen schuldeiser van de erfgenaam in persoon (vordering inzake de dwangsommen die de erfgenaam heeft verbeurd), maar ook schuldeiser van de nalatenschap (vordering tot verwijdering van het woonschip).

De erfgenaam heeft voor een deel succes met zijn verzoek in hoger beroep, omdat is vastgesteld dat de vereffening van de nalatenschap van zijn vader nog niet is voltooid.

Daardoor zou de grond aan de beslissing van de kantonrechter ontvallen. Hij heeft vervolgens geen succes met zijn betoog dat er een andere grond voor afwijzing van het verzoek is, te weten dat verweerder geen belanghebbende is in de zin van artikel 4:209 lid 1 BW.

Dat betekent dat alsnog zou moeten worden beoordeeld of de vereffening moet worden opgeheven of dat het verzoek van verweerder moet worden afgewezen op andere gronden.

Hier wordt herhaald dat lid 1 van artikel 4:209 BW bepaalt dat de kantonrechter op verzoek van de vereffenaar of een belanghebbende opheffing van de vereffening dan wel een kosteloze vereffening kan bevelen, indien de geringe waarde der baten van een nalatenschap daartoe aanleiding geeft.

De verplichting tot vereffening van de nalatenschap in het geval van beneficiaire aanvaarding strekt tot bescherming van de schuldeisers van de nalatenschap.

De vereffening beoogt te bewerkstelligen dat de vorderingen op geordende wijze zoveel mogelijk daadwerkelijk uit de nalatenschap worden voldaan.

De vereffening kost geld. Indien de kosten van de vereffening een kleine nalatenschap onevenredig zwaar belasten en de goederen geheel of bijna geheel aan vereffeningskosten dreigen op te gaan, biedt de wet in artikel 4:209 lid 1 BW de mogelijkheid dat de kantonrechter opheffing van de vereffening beveelt.

Door de opheffing van de vereffening kunnen schuldeisers van de nalatenschap (weer) gebruik maken van de executiemogelijkheden die hun individueel ten dienste staan ten aanzien van goederen van de nalatenschap (in dit geval het woonschip).

Zij kunnen zich, behoudens de uitzonderingen van artikel 4:184 lid 2 onder b-d BW, niet verhalen op het eigen vermogen van de erfgenaam die beneficiair heeft aanvaard.

Zowel de erfgenaam als verweerder gaat ervan uit dat het woonschip zonder ligplaats weinig waard is. Het is aannemelijk dat het verwijderen van het woonschip (sloop)kosten met zich brengt. In het geval deze sloopkosten als schulden van de nalatenschap en vereffeningskosten zijn te beschouwen geeft de geringe waarde van het woonschip naar het oordeel van het hof aanleiding de vereffening op te heffen. Dan is trouwens ook de weg vrij voor verweerder om individueel executiemaatregelen te treffen.

Er zijn aldus geen gronden voor afwijzing van het verzoek de vereffening op te heffen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van de nalatenschap, over de zuivere of over de beneficiaire aanvaarding van een nalatenschap of over een verzoek tot opheffing van een vereffening, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.