Van onze advocaat verdeling erfenis. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de uitleg van een testament gelet op de verhoudingen die het testament kennelijk wenst te regelen. Diende rekening en verantwoording te worden afgelegd?
De kinderen zijn de erfgenamen van de in 2012 overleden erflater. Zij hebben de nalatenschap van erflater beneficiair aanvaard.
Uitleg van een testament
De rechter oordeelt als volgt.
De rechter stelt voorop dat het testament moet worden uitgelegd aan de hand van de maatstaf van artikel 4:46 BW.
Dat betekent dat de rechter allereerst dient te letten op de verhoudingen die het testament kennelijk wenst te regelen en op de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt (artikel 4:46 lid 1 BW).
Het testament wenst in hoofdstuk 2 daarvan de verhouding tussen de kinderen van erflater te regelen, waarbij aan de erfgenamen ieder een bedrag van € 92.340,00 is gelegateerd en waarbij de kinderen, tezamen en voor gelijke delen, tot erfgenaam zijn benoemd. Het eerste kind is wel tot erfgenaam benoemd (art. 2), maar aan hem is geen legaat toegekend (art. 1).
Het testament is opgemaakt onder de omstandigheid dat erflater de leeftijd van 91 jaar had bereikt. Gesteld noch gebleken is dat zijn geestvermogens op of omstreeks het opmaken van het testament (blijvend of tijdelijk) waren gestoord zoals bedoeld in art. 3:34 BW. Kort voor het opmaken van het testament heeft erflater de brief van de executeur van 17 april 2007 voor akkoord ondertekend.
De erfgenamen hebben zich beroepen op artikel 4:46 lid 3 BW.
Volgens hen heeft erflater zich bij het akkoord tekenen van voornoemde brief van 17 april 2007, welke brief de basis is geweest voor het nieuwe testament van 27 april 2007, vergist. De tekst van het testament strookt volgens hen niet met de bedoeling van erflater. Erflater heeft zich klaarblijkelijk vergist door de kwijtgescholden lening alsnog via de prelegaten te verrekenen, aldus de erfgenamen.
Volgens hen heeft erflater beoogd om het eerste kind, door het kwijtschelden van de lening, te compenseren voor de door hem aan erfgenamen betaalde bedragen vanwege hun studies. Toen de renteloze lening aan het eerste kind werd kwijtgescholden was erflater van mening dat hij aldus zijn drie kinderen gelijk had behandeld. Dat heeft erflater met grote regelmaat ten opzichte van de erfgenamen uitgesproken, zo stellen de erfgenamen, waarvan zij ook bewijs hebben aangeboden.
Naar het oordeel van de rechter bieden de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenste te regelen en de omstandigheden waaronder het testament van 27 april 2007 is gemaakt, onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat de bewoordingen niet overeenstemmen met de wil van erflater (artikel 4:46 lid 1 BW).
De rechter zal de erfgenamen, nu de stelplicht en bewijslast ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv op hen rusten, toelaten tot bewijs dat erflater met grote regelmaat ten opzichte van erfgenamen heeft uitgesproken dat hij van mening was dat hij met het kwijtschelden van de lening van het eerste kind zijn drie kinderen gelijk had behandeld. Het hof acht het door erfgenamen gedane bewijsaanbod ter zake dienend en voldoende concreet en gespecificeerd.
Rekening en verantwoording
De rechter oordeelt als volgt.
Volgens vaste rechtspraak kan een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording worden aangenomen indien tussen partijen een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan krachtens welke de een jegens de ander (de rechthebbende) verplicht is om zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te verantwoorden.
Een zodanige verhouding kan voortvloeien uit de wet, een rechtshandeling of ongeschreven recht. Aan het oordeel dat op grond van ongeschreven recht een verplichting bestaat om zich te verantwoorden over de behoorlijkheid van het over het vermogen van een ander gevoerd beheer, kan bijdragen dat sprake is van een rechtsverhouding die verwantschap vertoont met een of meer in de wet geregelde gevallen waarin een dergelijke verplichting is neergelegd, zoals gemeenschap, opdracht of zaakwaarneming. Voor het overige is het antwoord op de vraag of een zodanige verantwoording geboden is, sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
Omstandigheden die in dit verband een rol kunnen spelen zijn onder meer: (i) de redenen waarom het beheer is gevoerd, (ii) de verhouding die bestond tussen degene die het beheer voerde en de rechthebbende, (iii) hetgeen in de relatie tussen partijen of in soortgelijke gevallen gebruikelijk is of was, (iv) de mate waarin degene die het beheer voerde, zelfstandig kon en mocht handelen, en (v) de mate waarin de rechthebbende in staat is geweest de handelingen van degene die het beheer voerde te overzien en voor zijn belangen op te komen (Hoge Raad, 9 mei 2014 HR:2014:1089).
De rechter stelt vast dat is gesteld noch gebleken dat een rechtsverhouding bestaat op grond waarvan een verantwoordingsplicht dient te worden aangenomen.
Voorts hebben erfgenamen niet gesteld dat erflater tijdens zijn leven wilsonbekwaam was, onder bewind stond of op een andere manier beperkt was om zijn financiën te voeren. Volgens hen had het eerste kind weliswaar een slechte relatie met hun ouders (derhalve erflater én moeder), maar het eerste kind heeft dit betwist en hiertegenover aangevoerd dat zij na het overlijden van haar moeder in 2006 de zorg heeft opgenomen voor haar erflater en hem heeft bijgestaan tot zijn overlijden. Zij heeft in dit verband verwezen naar de volmacht die zij op 15 mei 2012 van erflater heeft gekregen.
Gesteld noch gebleken is dat erflater vanaf 2006 het eerste kind op enig moment om rekening en verantwoording heeft gevraagd met betrekking tot de contante geldopnames die zij samen met hem heeft verricht.
Uit het voorgaande volgt dat er vanuit moet worden gegaan dat erflater steeds in staat was om de handelingen van het eerste kind te overzien en hij hun gezamenlijke, althans volgens erfgenamen haar handelingen, heeft goedgekeurd. De familierechtelijke relatie tussen erflater en het eerste kind bracht kennelijk mee dat geen afzonderlijke boekhouding over de contante pinopnames en betalingen werd gevoerd, maar dat in vertrouwen werd gehandeld.
Onder deze omstandigheid bestaat er naar het oordeel van het hof voor het eerste kind geen verplichting tot het doen van rekening en verantwoording over de periode vanaf 2006 tot 15 mei 2012.
Het eerste kind heeft erkend dat zij vanaf 15 mei 2012 rekening en verantwoording moet afleggen voor de uitgaven voor de kosten van levensonderhoud en persoonlijke verzorging van erflater. Dit heeft zij gedaan door het overleggen van een overzicht “betalingen en ontvangsten”, dat is opgesteld door de executeur en een betalingsbevestiging van 10 juli 2012. Deze stukken zijn door erfgenamen niet, althans onvoldoende weersproken. Het eerste kind wordt daarmee geacht vanaf 15 mei 2012 behoorlijk rekening en verantwoording te hebben gedaan.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over het kindsdeel of over de legitieme, over de taken en bevoegdheden van een executeur of over het afleggen van rekening en verantwoording in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.