Van onze advocaat verdeling erfenis. Het Gerechtshof Den Haag heeft op 17 januari 2018 uitspraak gedaan over de vraag of een verzoek tot opheffing van de vereffening van een beneficiair aanvaarde nalatenschap door alle erfgenamen als vereffenaars gezamenlijk gedaan dient te worden.

De nalatenschap is door alle erfgenamen beneficiair aanvaard en alle erfgenamen zijn dan vereffenaar (4:195 BW). Het verzoek tot opheffing van de vereffening kan onder meer door de vereffenaar worden gedaan (artikel 4:209 lid 1 BW). Dit betekent dat het opheffingsverzoek door de gezamenlijke vereffenaren dient te worden gedaan, dan wel door een of meer van hen met instemming van de andere vereffenaren.

Op 8 januari 2017 is te Den Haag overleden de erflater.

De erflater heeft bij testament over zijn nalatenschap beschikt en heeft als zijn erfgenamen achtergelaten zijn echtgenote (verweerster) en zijn beide kinderen (verzoekers). Voor zover hier van belang is de erflater niet afgeweken van de wettelijke verdeling.

Zowel verweerster als verzoekers hebben de nalatenschap van de erflater beneficiair aanvaard.

De kinderen als erfgenamen stellen dat de kantonrechter ten onrechte de opheffing van de vereffening heeft bevolen, aan welk oordeel ten grondslag is gelegd de boedelbeschrijving die de langstlevende echtgenoot bij haar verzoekschrift heeft gevoegd. Daarbij heeft de echtgenoot ten onrechte een beroep gedaan op zogenaamde verrekenbare vorderingen en verrekenbare schulden.

Zo de verrekenbare vorderingen en verrekenbare schulden al juist zijn, is het geenszins juist om tot verrekening hiervan over te gaan.

Nu de echtgenoot de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard, is er op grond van boek 4 titel 6 afdeling 3 BW een verplichting tot vereffening van de nalatenschap.

Echter, de verweerster is zowel erfgenaam als vereffenaar als gevolg waarvan haar geen beroep toekomt op verrekening van schulden en vorderingen.

Een beroep op artikel 4:217 BW is niet mogelijk, aldus de advocaat van de kinderen. Zij beroepen zich hierbij op de uitspraak van het gerechtshof Arnhem Leeuwarden van 10 maart 2015 (GHARL:2015:1702).

Dit betekent dat er een aanmerkelijk bedrag aan activa is dat dient te worden aangewend ter voldoening van de schuldeisers en wel pond-pond gewijs.

Op basis van de huidige opstelling van de verweerster, zullen de schuldeisers, behoudens de echtgenoot, geen enkel bedrag ter zake aflossing schulden ontvangen. Dat is incorrect en de kantonrechter had dan ook het verzoek tot opheffing moeten afwijzen.

De kinderen zijn het verder niet eens met de vastgestelde vereffeningskosten van € 1.518,-. De begroting hiervan, met name van het honorarium, is niet onderbouwd. Ook hadden die kosten niet vastgesteld hoeven worden omdat het verzoek afgewezen had moeten worden.

De echtgenoot stelt, samengevat, dat verzoekers mede-erfgenaam en dus ook mede vereffenaar zijn.

Ook is volgens de echtgenoot van belang dat zij met de erflater buiten gemeenschap van goederen was gehuwd.

De echtgenoot beroept zich op artikel 4:217 BW jo artikel 53 Faillissementswet (Fw). Volgens haar lezen de verzoekers in voornoemde uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ten onrechte een uitzondering op deze wetsartikelen. In genoemde uitspraak betrof het een hele andere grondslag of toetsingskader, het ging daar om vorderingen die na het overlijden zijn ontstaan. Dit blijkt ook uit het vervolgarrest van de Hoge Raad (HR:2016:2351) en de conclusie van de procureur-generaal (PHR:2016:840).

In de onderhavige zaak gaat het om vorderingen en schulden die vóór overlijden zijn ontstaan.

Daarop zijn artikel 4:217 lid 1 BW en 53 Fw van toepassing. Het gaat om verrekening van een vordering van een schuldeiser terwijl de nalatenschap ook een vordering op deze schuldeiser heeft. Iedere schuldeiser mag zijn schuld aan de boedel als “onderpand” beschouwen voor betaling van zijn vordering. Niet relevant is of de schuldenaar tevens schuldeiser dan wel tevens ook medevereffenaar is. De kantonrechter heeft dan ook juist geoordeeld.

De verweerster heeft aan een notaris opdracht gegeven haar bij te staan in de vereffening van de negatieve nalatenschap van de erflater. Zij heeft de verzoekers hieromtrent geïnformeerd en ook over de handelingen die moesten worden verricht. Hiervoor zijn kosten gemaakt die niet onredelijk zijn. De kinderen hebben hiertegen ook geen inhoudelijk bezwaar gemaakt.

Dient een verzoek tot opheffing van de vereffening van een beneficiair aanvaarde nalatenschap door alle erfgenamen als vereffenaars gezamenlijk gedaan te worden?

De rechter oordeelt als volgt.

Artikel 4:195 lid 1 BW bepaalt dat wanneer een nalatenschap door een of meer erfgenamen beneficiair is aanvaard en zij uit dien hoofde overeenkomstig de volgende afdeling van titel 6 moet worden vereffend, alle erfgenamen vereffenaar zijn.

Artikel 4:198 BW bepaalt dat de vereffenaren hun bevoegdheden tezamen uitoefenen, tenzij de kantonrechter anders bepaalt of sprake is van daden als bedoeld in dit artikel. Vast staat dat er geen beschikking is van de kantonrechter op de voet van artikel 4:198 BW.

Op grond van artikel 4:209 BW kan de kantonrechter op verzoek van de vereffenaar of een belanghebbende hetzij de kosteloze vereffening van de nalatenschap, hetzij de opheffing van de vereffening bevelen.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is komen vast te staan dat zowel verzoekers als verweerster de nalatenschap van de erflater beneficiair hebben aanvaard. Op grond van voornoemd artikel 4: 195 BW zijn verzoekers en de verweerster dus gezamenlijk vereffenaar.

Ook is komen vast te staan dat het verzoek tot opheffing van de vereffening door één van de vereffenaren, namelijk de echtgenoot, is ingediend bij rechtbank Den Haag team kanton.

Verder staat vast dat in de procedure bij de rechtbank, team kanton, de twee andere vereffenaren, verzoekers, niet door de kantonrechter in de gelegenheid zijn gesteld om zich uit te laten over het verzoek gedaan door één van de vereffenaren.

In hoger beroep is gebleken dat de twee andere vereffenaren het verzoek tot opheffing van de vereffening niet onderschrijven en dat zij vernietiging van de vereffeningsbeschikking verzoeken.

Gelet op het voorgaande, met name de artikelen 4:195 jo 4:209 BW, had het verzoek tot opheffing afkomstig moeten zijn van de vereffenaar, te weten de verweerster en de verzoekers tezamen, of in ieder geval met instemming van de twee andere erfgenamen/vereffenaren.

Nu het verzoek tot opheffing door één vereffenaar is gedaan zonder instemming van de beide andere vereffenaren, die bovendien niet als belanghebbenden zijn opgeroepen bij de mondelinge behandeling, is het verzoek tot opheffing onbevoegd gedaan.

De rechter zal de bestreden beschikking vernietigen en het inleidende verzoek van de echtgenoot alsnog afwijzen.

Dit geldt temeer nu twee van de vereffenaren de door één van de vereffenaren toegepaste verrekening op grond van artikel 4:217 BW betwisten en ter zitting bij het hof is gebleken dat de boedelbeschrijving als bedoeld in artikel 4:211 lid 2 BW alleen door één van de vereffenaren, namelijk de verweerster, is opgemaakt.

Bovendien is ter zitting namens verweerster verklaard dat de aan het opheffingsverzoek ten grondslag gelegde boedelbeschrijving niet klopt.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een nalatenschap, over het verschil tussen zuivere aanvaarding en beneficiaire aanvaarding of over de opheffing van de vereffening van een nalatenschap, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.