Van onze advocaat verdeling erfenis. De Rechtbank Overijssel heeft op 19 september 2018 uitspraak gedaan over de toedeling van een recht op grond van de redelijkheid en billijkheid bij de verdeling van een nalatenschap.
Het gaat in deze zaak om de vraag aan wie het grafrecht op het graf van de overleden baby (het kind) moet worden toegekend.
De vraag die de rechtbank ten eerste moet beantwoorden, is wat een grafrecht inhoudt.
Een grafrecht is een door – in dit geval – het college toegekend recht om voor een bepaalde tijd ten hoogste twee overledenen te doen begraven in de betreffende grafruimte en tot een maximum van vier urnen te doen bijplaatsen.
De rechthebbende is geen eigenaar van het graf, maar heeft zeggenschap over wie in het graf wordt begraven en begraven gehouden.
Tevens kan de rechthebbende van het grafrecht vergunning vragen bij het college voor het plaatsen, verwijderen of herstellen van een grafmonument. Naar het oordeel van de rechtbank bezit het grafrecht daarmee alle kenmerken van een beperkt zakelijk recht (zie bijvoorbeeld Rb Zwolle, 15 september 1999, Prg. 2000, 5393 en de conclusie bij HR 25 oktober 1985 NJ 1986, 308).
Dat grafrecht heeft ook vermogensrechtelijke aspecten, omdat er nog een overledene kan worden begraven en tot een maximum van vier urnen kunnen worden bijgeplaatst. Daar staan geen verdere kosten voor het grafrecht tegenover, terwijl het graf niet meer zal worden geruimd.
Het vorenstaande impliceert dat het grafrecht – dat op naam van vader was gesteld – onderdeel uitmaakte van de huwelijksgemeenschap (het samenstel van goederen en schulden) tussen vader en moeder.
Het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 31 januari 2007 (RBZLY:2007:BA5076) waar gedaagde naar verwijst ziet op een andere situatie, namelijk de situatie dat het grafrecht vanaf het eerste moment op naam van de dochter van de overledene (moeder) stond.
In die zaak vorderde de weduwnaar (vader) een verklaring voor recht dat hij de enige rechthebbende was van het grafrecht, maar dat grafrecht maakte geen onderdeel uit van een (nog te verdelen) gemeenschappelijk vermogen zoals in de onderhavige zaak.
Verdeling van een nalatenschap. Toedeling op grond van de redelijkheid en billijkheid.
De rechter oordeelt als volgt.
Vader en moeder hebben het grafrecht in de notariële akte van verdeling van 22 september 1983 niet verdeeld.
De verdeelde goederen zijn geciteerd en hebben geen betrekking op het grafrecht. Het finale kwijtingsbeding ziet op de in die akte verdeelde goederen en schulden en niet op goederen die daarin niet genoemd zijn, gelet op de bewoordingen “dat de deelgenoten vorenstaande scheiding hebben tot stand gebracht, dat zij ter zake van deze scheiding en deling nu niets meer van elkaar te vorderen hebben”.
Het grafrecht maakte geen onderdeel uit van de verdeelde goederen, zodat het grafrecht niet valt onder het finale kwijtingsbeding.
Het grafrecht moet daarom worden aangemerkt als een overgeslagen goed in de zin van artikel 3:179 lid 2 BW. Moeder vordert thans verdeling van het onverdeelde grafrecht en de rechtbank zal daartoe overgaan.
Moeder is voor de onverdeelde helft gerechtigd tot het grafrecht.
De andere onverdeelde helft komt toe aan eiser en gedaagde gezamenlijk als erfgenamen van vader.
Bij de verdeling moet ingevolge artikel 3:185 lid 1 BW naar billijkheid rekening gehouden worden met de belangen van partijen.
De rechtbank is van oordeel dat van de drie deelgenoten het grafrecht voor moeder de meest bijzondere waarde heeft.
Zij heeft het kind gedragen en haar na slechts enkele maanden verloren, wat een zeer ingrijpende gebeurtenis is geweest.
Eiser en gedaagde waren ten tijde van het overlijden van kind nog niet geboren.
De rechtbank zal het grafrecht daarom aan moeder toekennen.
Daarbij weegt de rechtbank mee dat de belofte waarop gedaagde zich beroept – namelijk de belofte aan vader dat zij voor het graf zal zorgen – nog steeds gestand kan worden gedaan, omdat zij ook zonder de beschikking te hebben over het grafrecht het graf van het kind kan bezoeken en onderhouden.
Voorts heeft moeder ter zitting verklaard dat zij de grafsteen – vanwege de in haar ogen slechte staat ervan – wenst te vervangen door een nieuwe grafsteen, zodat het graf van het kind ook op die manier behouden zal blijven.
Het vorenstaande betekent dat de primaire vordering van eiser en moeder zal worden toegewezen, namelijk in die zin dat het grafrecht aan moeder moet worden toegedeeld en dat gedaagde haar medewerking zal moeten verlenen om het grafrecht over te schrijven op naam van moeder.
De rechtbank sluit aan bij de bewoordingen van artikel 29 lid 1 van de Verordening op het beheer en het gebruik van de gemeentelijke begraafplaatsen Steenwijkerland 2009 (hierna: de beheer verordening).
In dat artikel staat vermeld dat het grafrecht op aanvraag van de rechthebbende kan worden overgeschreven ten name van de echtgenoot dan wel een bloed- of aanverwant tot en met de derde graad.
Van “overdragen”, zoals gevorderd door eiser en moeder, is geen sprake. Het college neemt een besluit op de aanvraag van de rechthebbende en met dat besluit wordt het grafrecht dan op naam van de voorgestelde persoon gezet.
Gedaagde heeft voorts nog aangevoerd dat moeder niet tot de kring van rechthebbenden zou behoren zoals genoemd in artikel 29 lid 1 van de beheer verordening en dat het college het grafrecht om die reden niet op naam van moeder zou willen overschrijven.
Die redenering kan de rechtbank niet volgen. Gedaagde is op dit moment de rechthebbende aan wie het grafrecht is verleend (zie artikel 1 van de beheer verordening voor de begripsomschrijving van rechthebbende) en moeder is haar bloedverwant in de eerste graad.
Gedaagde dient dan ook op grond van artikel 29 lid 1 van de beheer verordening een aanvraag bij het college te doen tot overschrijving van het grafrecht op naam van moeder. Er bestaat geen aanleiding voor de rechtbank om gelet op de bewoordingen van artikel 29 lid 1 van de beheer verordening op voorhand te concluderen dat het college aan een dergelijk verzoek niet zou voldoen, integendeel.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over de verdeling door de rechter, over de toedeling van een goed uit de nalatenschap of over de redelijkheid en billijkheid in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.