Van onze advocaat verdeling erfenis. De Rechtbank Den Haag heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de machtiging van de rechter tot het uitoefenen van het recht van erfgenaam.
Het verzoek strekt ertoe dat de rechtbank aan verzoekers machtiging zal verlenen tot het uitoefenen van het recht van erfgenaam als bedoeld in artikel 1:412, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW), kosten rechtens.
Ingevolge artikel 267 Rv is in zaken van afwezigheid of vermissing bevoegd de rechter van de verlaten woonplaats van de afwezige of vermiste.
Deze bepaling wordt aangevuld door artikel 269 Rv, inhoudende dat indien de artikelen 262 tot en met 268 geen bevoegde rechter aanwijzen de rechter te ’s-Gravenhage bevoegd is.
In de onderhavige zaak kon van de afwezige of vermiste de verlaten woonplaats niet worden vastgesteld. Deze rechtbank is dus bevoegd om van het verzoek kennis te nemen.
Verzoekers zijn, naast de vermiste, de wettige erfgenamen in de nalatenschap van de erflater en zijn om die reden ontvankelijk in hun verzoek.
Machtiging van de rechter tot het uitoefenen van het recht van erfgenaam. Vermissing. Erfopvolging.
De rechter oordeelt als volgt.
Ingevolge artikel 1:412 van het BW verleent de rechtbank, wanneer aan een persoon wiens bestaan onzeker is een erfdeel of een legaat opkomt, waartoe, indien hij niet in leven mocht zijn, anderen zouden zijn gerechtigd, aan die anderen op hun verzoek machtiging tot de uitoefening van het recht van erfgenaam of legataris.
De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit geschil uit van het navolgende.
Blijkens de stukken is aan de vermiste een erfdeel opgekomen.
Verzoekers hebben te kennen gegeven dat het bestaan van de vermiste onzeker is. Van vermiste is bekend dat hij op 13 juli 1946 is geëmigreerd. Het contact tussen hem en de familie is daarna verloren gegaan. Verzoekers stellen dat er, gelet op de gemiddelde levensverwachting, een reële kans is dat vermiste (die thans 95 jaar oud zou zijn) niet meer in leven is.
Verzoekers hebben voor het ervenonderzoek naar de vermiste, dan wel zijn eventuele afstammelingen, onderzoek laten verrichten door het Centraal Bureau voor Genealogie en gebruik gemaakt van de diensten van Stichting Luminis.
De rechtbank overweegt dat uit voornoemd ervenonderzoek is gebleken dat de vermiste een zoon had. Ook is bekend geworden dat de vermiste is gehuwd. Het gezin is vervolgens in 1963 naar Australië vertrokken. De gezinsleden zijn bij het Australische archief bekend tot 1979.
De onderzoekers geven aan dat verdere onderzoekpogingen zijn vastgelopen en dat het opsporen van de vermiste in Australië moeilijk is, omdat vermiste en zijn gezin hun geslachtnaam mogelijk hebben laten wijzigen. Navraag bij het archief van New South Wales (Australië) naar nakomelingen over de periode van januari 1979 tot december 1988 heeft de onderzoekers ook geen verdere informatie opgeleverd.
De rechtbank is van oordeel dat verzoekers voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat het bestaan van de vermiste onzeker is.
De rechtbank stelt echter ook vast dat, indien de vermiste niet meer in leven mocht zijn, de zoon krachtens erfopvolging gerechtigd is tot een erfdeel in de onderhavige nalatenschap.
Voor zover het erfdeel is opgekomen aan de zoon, stelt de rechtbank vast dat de zoon erflater door verzoekers niet is opgevoerd als erfgenaam/belanghebbende in deze procedure.
Dit betekent dat het verzoek niet volledig is en om die reden zou moeten worden afgewezen.
Voor zover verzoekers zich op het standpunt stellen dat het bestaan van de zoon erflater onzeker is overweegt de rechtbank als volgt.
Verzoekers gingen er in het verzoekschrift nog vanuit dat vermiste geen nakomeling(en) had. De rechtbank heeft verzoekers in de gelegenheid gesteld om aan te geven op welke wijze specifiek gezocht is naar het wel of niet in leven zijn van de zoon.
Verzoekers hebben in hun berichten van respectievelijk 5 mei 2017 en 16 februari 2018 verwezen naar de reeds ingediende stukken en het verslag van het Centraal Bureau voor Genealogie voor de wijze waarop is gezocht naar het gezin van de zoon.
Kort samengevat, zo stellen verzoekers in hun faxbericht van 16 februari 2018, is er na 1979 geen spoor meer te vinden van het echtpaar (bedoeld worden de vermiste en zijn echtgenote).
De rechtbank leidt hieruit af dat niet specifiek is gezocht naar de zoon, dan wel dat daartoe geen verdere pogingen zijn ondernomen.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben verzoekers met de thans overgelegde stukken en hun toelichting daarop onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het bestaan van de zoon tevens vermiste onzeker is.
De rechtbank zal het verzoek om die reden afwijzen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over de vereffening, verdeling en afwikkeling van een erfenis, over de rechten van de erfgenaam, over de erfopvolging of over een vermissing of onzekerheid over het bestaan van erfgenamen, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.