De Rechtbank Rotterdam heeft op 7 april 2021 uitspraak gedaan over de vraag of een erfgenaam een gebruiksvergoeding verschuldigd was aan de overige erfgenamen.
Tijdens de zitting van 22 oktober 2019 zijn partijen met elkaar overeengekomen dat gedaagde aan eiseres een bedrag van € 26.671,23 betaalt (inzake haar kindsdeel in de nalatenschap van erflaatster en inzake haar legitieme portie in de nalatenschap van erflater) en dat gedaagde dit bedrag aan eiseres zal betalen zodra sprake is van een volledig afgewikkelde notariële akte van verdeling betreffende de nalatenschappen van erflaatster en erflater.
Tevens is een financieringsvoorbehoud overeengekomen en zijn partijen overeengekomen dat zij hun volledige medewerking zullen verlenen aan de notariële afwikkeling.
Over de door eiseres gevorderde gebruiksvergoeding en wettelijke rente hebben partijen geen overeenstemming bereikt.
Thans ligt alleen nog voor de door eiseres gevorderde gebruiksvergoeding en de wettelijke rente, omdat partijen daarover nog steeds geen overeenstemming bereikt hebben.
Erfrecht. Verdeling van een nalatenschap. Vergoeding voor het gebruik van de woning? Verrijking? Gebruiksvergoeding. Rentevergoeding bij wettelijke verdeling. Wettelijke rente.
De rechter oordeelt als volgt.
Eiseres heeft gevorderd gedaagde te veroordelen tot betaling aan de nalatenschap van een redelijke vergoeding in verband met het gebruik van de woning die hij in de periode vanaf 13 februari 2000 tot 21 januari 2012 heeft gehad.
Volgens eiseres is gedaagde een vergoeding aan de nalatenschap verschuldigd, omdat hij met zijn gezin feitelijk sinds het overlijden van erflaatster of kort daarna zonder betaling van enige vergoeding in de woning verblijft.
Erflater woonde op dat moment veel in Turkije, zodat gedaagde de woning alleen voor hem en zijn gezin ter beschikking had.
Eiseres heeft aan de gebruiksvergoeding ten grondslag gelegd dat gedaagde onrechtmatig heeft gehandeld dan wel dat hij ongerechtvaardigd is verrijkt.
De rechtbank is van oordeel dat niet geoordeeld kan worden dat gedaagde onrechtmatig heeft gehandeld jegens de nalatenschap van erflater, omdat onbetwist is dat hij toestemming had van erflater om in de woning te gaan wonen.
Gelet op deze toestemming is er ook geen sprake van onrechtvaardigde verrijking, want de toestemming rechtvaardigt de verrijking.
Erflater was het er immers mee eens dat gedaagde in de woning ging wonen.
Voorts is het ook onduidelijk of gedaagde verrijkt is hierdoor.
Gedaagde heeft namelijk gesteld dat hij het gas, water en licht en de hypotheek betaalde, dat hij heeft bijgedragen aan het onderhoud van de woning en dat hij vele bouwkundige verbeteringen in de woning heeft aangebracht.
Eiseres heeft dit echter betwist.
De rechtbank is van oordeel dat in het midden kan blijven of gedaagde verrijk is, omdat door de toestemming van erflater geen sprake is van een ongerechtvaardigdheid.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan in het middel blijven of de vordering van eiseres verjaard is.
Nu er geen grondslag is om gedaagde te veroordelen een gebruiksvergoeding aan de nalatenschap te betalen wordt deze vordering afgewezen.
Wettelijke rente bij verzuim
Eiseres heeft gevorderd gedaagde te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente vanaf 21 januari 2012 tot aan de dag van algehele voldoening over haar kindsdeel in de nalatenschap van erflaatster en haar legitieme portie in de nalatenschap van erflater.
Eiseres kan geen aanspraak maken op de rente uit de artikelen 4:13 lid 4 en 4:84 BW, omdat de wettelijke rente op dit moment lager is dan 6%.
Dit laat echter onverlaat dat zij wel aanspraak kan maken op de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW als er sprake is van verzuim.
Voor verzuim is vereist dat de vordering opeisbaar is en sprake is van een ingebrekestelling.
Tussen partijen is niet in geschil dat de vordering van eiseres opeisbaar is.
De rechtbank is echter wel van oordeel dat de legitieme portie van [eiseres] in de nalatenschap van erflater op grond van artikel 4:81 lid 1 BW pas opeisbaar is vanaf 21 juli 2012, namelijk een half jaar na het overlijden van erflater.
Het kindsdeel van eiseres in de nalatenschap van erflaatster is opeisbaar vanaf 21 januari 2012.
Naast opeisbaarheid is volgens de wet ook een ingebrekestelling vereist, tenzij sprake is van een situatie als omgeschreven in de artikelen 6:82 of 6:83 BW.
Eiseres heeft echter niet gesteld dat er sprake is van een situatie waarin geen ingebrekestelling vereist is.
Dit betekent dat het verzuim pas intreedt vanaf het moment dat eiseres gedaagde in gebreke heeft gesteld en aanspraak heeft gemaakt op de wettelijke rente.
Dit heeft zij pas gedaan in de akte van eiswijziging van 28 februari 2018, zodat gedaagde vanaf die datum in verzuim is.
Dit betekent dat de wettelijke rente over het tussen partijen overeengekomen bedrag van € 26.671,23 toewijsbaar is vanaf 28 februari 2018 tot aan de dag van algehele voldoening.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over een gebruiksvergoeding in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.