De Rechtbank Noord-Holland heeft op 13 oktober 2021 uitspraak gedaan over de verdeling van een nalatenschap en de schulden van de nalatenschap.
Deze zaak gaat over de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster, de moeder van eiser en de oma van gedaagden, overleden op 6 augustus 2017.
Partijen zijn de gezamenlijke erfgenamen en hebben allen de nalatenschap zuiver aanvaard.
Door slechte onderlinge communicatie en onderling wantrouwen is het nog niet tot verdeling van de nalatenschap gekomen.
De rechter oordeelt als volgt.
Erfrecht. Vaststelling van de verdeling van een nalatenschap. Schulden van de nalatenschap. Zijn de gemaakte kosten gedaan ten behoeve van de nalatenschap?
Ten aanzien van de woning geldt dat partijen naar aanleiding van afspraken die zijn gemaakt gezamenlijk aan B Makelaardij een opdracht hebben verleend tot dienstverlening bij verkoop van de woning.
Na verkoop en levering van de woning aan een eventuele koper dient de netto verkoopopbrengst door partijen verdeeld te worden naar rato van ieders aandeel in de nalatenschap.
Voor zover sprake zal zijn van een restschuld dienen partijen deze te dragen, eveneens naar rato van hun aandeel in de nalatenschap.
Voor zover het saldo op de ervenrekening niet toereikend zal zijn voor betaling van een restschuld, dienen partijen hun aandeel in de restschuld te voldoen uit privévermogen, omdat zij de nalatenschap zuiver hebben aanvaard.
Na de datum van overlijden van erflaatster, 6 augustus 2017, is er op meerdere momenten nog geld opgenomen van haar bankrekening(en) en zijn er nog pinbetalingen verricht.
Eiser heeft erkend dat hij die opnames en de betalingen heeft gedaan en heeft verklaard dat dit (deels) in overleg en met instemming van gedaagden is gebeurd.
Gedaagden hebben betwist dat deze opnames en betalingen zijn gedaan in overleg en met hun instemming en hebben gesteld dat voor zover eiser over deze bedragen geen, althans niet naar behoren rekening en verantwoording aflegt, deze bedragen, in totaal een bedrag van € 9.827,05, dienen te worden meegenomen in de verdeling.
Het gaat daarbij om de volgende posten:
Op 7 augustus 2017, 10 augustus 2017 en 14 augustus 2018 heeft eiser telkens € 500,- opgenomen van de ING-rekening van erflaatster.
Eiser heeft hierover verklaard dat hij deze bedragen heeft opgenomen om te zorgen dat de uitvaart perfect zou verlopen en dat hij van dit geld kleine bijdragen heeft gegeven aan de kleinkinderen die hebben meegeholpen met het verzorgen van de bloemstukken, de presentatie en dergelijke. Hij heeft aangevoerd dat van die betalingen uiteraard geen bonnen zijn, maar dat dit moet worden aangemerkt als kosten als bedoeld in artikel 4:7 lid 1 sub b BW.
Gedaagden hebben verklaard dat een en ander niet in overleg is gebeurd zodat deze bedragen in de verdeling moeten worden meegenomen.
De rechtbank gaat niet mee in de stelling van eiser dat deze betalingen aan de kleinkinderen moeten worden aangemerkt als kosten als bedoeld in artikel 4:7 lid 1 aanhef en onder b BW.
Deze bepaling ziet uitsluitend op de kosten die een uitvaartondernemer in rekening brengt voor de uitvaart van de overledene.
Dat het opgenomen geld voor dat deel niet aan eiser in privé ten goede is gekomen, maar is uitgegeven in verband met de uitvaart van erflaatster, maakt dit niet anders.
Nu deze uitgaven niet noodzakelijk waren en niet met instemming van gedaagden zijn verricht, dienen deze voor rekening van eiser te komen.
Het totaalbedrag van € 1.500,- dient derhalve door eiser te worden ingebracht en bij de verdeling betrokken te worden.
Eiser heeft verder verklaard dat hij een extra bedrag van € 150,- heeft betaald aan de koster en de uitvaartverzorger, als dank voor hun bovenmatige inspanning om de uitvaart alsnog goed te laten verlopen toen bleek dat de cd met de muziek en de te presenteren foto’s niet afgespeeld kon worden op de apparatuur in de kerk.
Hij heeft benadrukt dat de koster van alles geprobeerd had om de apparatuur toch goed werkend te krijgen en dat de uitvaartverzorger vervolgens met de cd naar W is gereden om daar met een technicus te zorgen dat de presentatie toch nog goed werkte, waarna na een half uur toch alles perfect werkte. Hij heeft weliswaar aangevoerd dat dit in overleg met gedaagde is gebeurd, maar dit laatste is door gedaagden betwist en blijkt ook overigens nergens uit.
Ook deze kosten komen derhalve voor rekening van eiser.
Op 10 augustus 2017 is van de ABN AMRO rekening van erflaatster een betaling gedaan van € 59,45 aan B&B A. Eveneens is op 10 augustus 2017 is bij de Haarlemse Bakker een betaling gedaan van € 200,- ten laste van de ABN AMRO rekening van erflaatster. Eiser heeft hierover geen verantwoording afgelegd. Nu niet in geschil is dat deze uitgaven zonder instemming van zijn verricht, dienen deze voor rekening van eiser te komen.
Over de betaling van een bedrag van € 281,94 bij de Mediamarkt die op 21 augustus 2017 is afgeschreven van de ING -rekening van erflaatster heeft eiser verklaard dat hij in overleg met gedaagde een Canon printer mocht aanschaffen, omdat er allerlei stukken ingescand en verstuurd moesten worden, om er zo voor te zorgen dat de stukken op een kwalitatief goede wijze gescand konden worden.
Door gedaagden is betwist dat dit in overleg is gebeurd of dat zij hiervoor toestemming hebben gegeven.
Nu deze instemming nergens uit blijkt en de noodzaak van deze aanschaf niet is gebleken, zal ook dit bedrag ten laste van eiser moeten worden meegenomen in de verdeling.
Over de afschrijving van de ING -rekening € 30,73 op 21 augustus 2017 van een betaling bij C, heeft eiser verklaard dat hij met die betaling niet bekend is. Omdat eiser over dit bedrag geen uitsluitsel heeft kunnen geven, dient ook dit bedrag te worden meegenomen in de verdeling van de nalatenschap.
Op 7 september 2017 is met de pinpas van eiser een bedrag van € 600,- opgenomen van de ING-rekening van erflaatster. Eiser heeft van de besteding van dit bedrag geen verantwoording kunnen afleggen, zodat ook dit bedrag moet worden meegenomen in de verdeling.
Op 6 september 2017 is van de ABN AMRO rekening van erflaatster een bedrag betaald van € 2.712,73 aan Y Uitvaartzorg. Gedaagden hebben gesteld dat deze betaling heeft plaatsgevonden zonder overleg met hen en zonder dat zij de facturen hebben gezien en dat deze betaling daarom moet worden meegenomen in de verdeling.
De rechtbank stelt voorop dat gedaagden niet hebben betwist dat er een uitvaart voor erflaatster heeft plaatsgevonden en ook niet dat deze is verzorgd door Y. Deze kosten dienen dan ook ten laste van de nalatenschap te blijven.
Op 21 november 2017 is van de ABN AMRO rekening van erflaatster een bedrag betaald van € 209,00 aan Y Uitvaartzorg. Ook hiervan geldt dat voldoende aannemelijk is dat deze kosten samenhangen met de uitvaart van erflaatster en derhalve ten laste van de nalatenschap moeten blijven.
Op 27 oktober 2017 heeft eiser een bedrag van € 300,- opgenomen van de ING-rekening van erflaatster. Van de besteding van dit bedrag heeft eiser geen verantwoording kunnen afleggen, zodat dit bedrag dient te worden meegenomen in de verdeling.
Op 30 oktober 2017 is van de ABN AMRO rekening van erflaatster een bedrag van € 145,20 betaald aan K in verband met de factuur met nummer 14947. Bij zijn akte van 28 juli 2021 heeft eiser de bijbehorende factuur overgelegd van 30 oktober 2017. Uit deze factuur blijkt dat de notaris geconsulteerd is over de splitsing van de woning. Aangezien dit ziet op kosten gemaakt in verband met het beheer van de nalatenschap, dienen deze kosten ten laste van de nalatenschap te blijven.
Op 14 februari 2018 heeft eiser met zijn pinpas van de rekening van erflaatster een betaling verricht voor een bedrag van € 50,75 ten gunste van B. Eiser heeft hierover verklaard dat dit zag op het vervangen van het slot van de woning van erflaatster en dat B het slot heeft geleverd en vervangen.
Deze kosten moeten daarom worden beschouwd als kosten gemaakt in verband met het beheer van de nalatenschap en dienen buiten de verdeling gelaten te worden.
Op 20 februari 2018 is van de ABN AMRO-rekening van erflaatster een bedrag van € 598,05 betaald aan K in verband met de factuur met nummer 14580. Bij zijn akte van 28 juli 2021 heeft eiser de bijbehorende factuur overgelegd van 30 oktober 2017. Uit deze factuur blijkt dat deze onder meer betrekking heeft op het opstellen en passeren van de verklaring van erfrecht.
Gedaagden maken bezwaar tegen de hoogte van het bedrag, maar de rechtbank gaat daar aan voorbij aangezien uit de factuur blijkt dat dit het bedrag is dat in rekening is gebracht. Deze kosten dienen derhalve ten laste van de nalatenschap te blijven.
Op 26 februari 2018 heeft eiser een betaling verricht tot een bedrag van € 43,50 bij B ten laste van de rekening van erflaatster.
Eiser heeft hierover verklaard dat dit ziet op de aanschaf van een bloemstuk namens erflaatster voor de begrafenis van haar zuster. Hij heeft benadrukt dat zijn moeder hem meerdere keren had gevraagd om daarvoor zorg te dragen namens haar en heeft verklaard dat hij namens haar naar de begrafenis is gegaan en het bloemstuk zelf heeft afgegeven. Het bezwaar van gedaagden is dat hierover met hen geen overleg is geweest. Het stond eiser uiteraard niet vrij over deze aanschaf te beslissen buiten de overige erfgenamen om. Dit betekent dat deze kosten niet ten laste van de nalatenschap kunnen worden gebracht.
Op 10 april 2018 is een bedrag afgeschreven van € 382,97 van de ABN AMRO rekening van erflaatster ter betaling van een factuur van G.
Gedaagden hebben om een nadere verantwoording voor dit bedrag gevraagd, omdat dit, gelet op de datum, losstaat van de opdracht voor het opmaken van de aangifte IB 2017 en het verzorgen van de aangifte erfbelasting. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser voldoende onderbouwd dat deze declaratie niet zag op het opstellen van de aangiftes, maar op de daaraan voorafgaande bespreking en deze kosten derhalve in verband met de afwikkeling van de nalatenschap zijn gemaakt, zodat deze kosten ten laste van de nalatenschap dienen te blijven.
Gedaagden hebben een bedrag van € 7.000,- opgenomen van de ervenrekening. Zij hebben verklaard dat zij dit hebben gedaan om dit geld veilig te stellen voor het doen van uitgaven ten behoeve van het beheer van de nalatenschap. In de akte overlegging producties hebben zij opgave gedaan van de inkomsten die zij hebben ontvangen en uitgaven die zij hebben gedaan in verband met het beheer van de nalatenschap. Zij hebben opgegeven dat zij nog een bedrag van € 6.630,35 onder zich hebben dat moet worden meegenomen bij de verdeling van de nalatenschap. In het opgestelde overzicht hebben zij ook de inkomsten meegenomen die zij hebben ontvangen uit de antikraakverhuur van de woning en de kosten die zij hebben gemaakt voor het beheer van de woning alsmede voor belastingen verbonden aan de woning. In totaal maken zij melding van ontvangsten tot een bedrag van € 9.285,48 (inclusief het bedrag van € 7.000,-) en van uitgaven tot een bedrag van € 2.655,13 zodat nog een bedrag resteert van € 6.630,35.
Eiser heeft verder bezwaar gemaakt tegen het bedrag van de door gedaagden ontvangen antikraakvergoeding over de periode van mei 2019 t/m mei 2021 ten bedrage van € 1.785,48. Hij heeft gesteld dat het gedaagden niet vrij stond om de anti-kraakovereenkomst aan te gaan, zodat de omstandigheid dat voor de woning slechts een lage huurvergoeding is ontvangen voor hun rekening dient te blijven.
Dit verweer van eiser faalt. Gedaagden hebben voldoende aangetoond dat zij de overeenkomst zijn aangegaan op het moment dat de boedelvolmacht nog van kracht was en dat de overeenkomst is aangegaan voor een gebruiksvergoeding van € 75,00 per maand. Het sluiten van de overeenkomst valt aan te merken als een beheersdaad ten behoeve van het behoud van de woning.
Partijen hebben over en weer aangevoerd dat zij betalingen hebben gedaan uit privévermogen die ten laste moeten komen van de nalatenschap.
Tussen partijen is niet in geschil dat zij beide facturen van S Advocaten ten bedrage van circa € 1.500 hebben voldaan. Deze kosten zijn gemaakt in verband met de onduidelijkheden rond de juridische status van de woning en dienen derhalve ten laste van de nalatenschap te komen en de voorgeschoten bedragen dienen te worden terugbetaald.
Eiser voert aan dat hij nog een aanslag WOZ 2021 heeft ontvangen voor de woning ad € 379, welke aanslag een vervaldatum vermeld van 31 augustus 2021. Hij stelt dat deze aanslag moet worden voldaan van de ervenrekening. Gedaagden erkennen dat deze aanslag nog niet is betaald en dat deze moet worden betaald uit de nalatenschap.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over kosten en de schulden van de nalatenschap, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.