Het Gerechtshof Den Haag heeft op 14 december 2021 uitspraak gedaan over de vraag of een in een testament toegekend legaat op de juiste wettelijk voorgeschreven wijze was gevestigd.

Kern van het geschil betreft de vraag of, en zo ja tot welk tijdstip betrokkene een recht van vruchtgebruik over de nalatenschap van erflater heeft (gehad).

Dit is beslissend voor onder meer de vraag aan wie de huurinkomsten uit het pand toekomen.

Erfrecht. Testament met legaat van levenslang vruchtgebruik. Is het legaat op de wettelijk voorgeschreven wijze gevestigd? Oud recht. Overgangsrecht.

De rechter oordeelt als volgt.

In zijn eerste grief stelt appellant aan de orde dat het vruchtgebruik nooit is gevestigd en dat het niet juist is dat de erfgenamen ervan zouden zijn uitgegaan dat er wel een rechtsgeldig vruchtgebruik tot stand is gekomen.

Uit de passage uit de vaststellingsovereenkomst van 11 februari 2011, die door de rechtbank in het bestreden vonnis is aangehaald, blijkt juist dat partijen overgaan tot afwikkeling van de erfenis door het verkopen van het onroerend goed.

Dat zou niet mogelijk zijn als zij zijn uitgegaan van een vruchtgebruik van betrokkene.

De vermelding van de zinsnede in de overeenkomst: “eventueel dient hierbij te worden betrokken de positie van betrokkene, voor zover juridisch relevant” kan niet als erkenning van het vruchtgebruik op het pand worden gezien.

De procedure, die met voormelde vaststellingovereenkomst is geëindigd, is aangespannen door de erfgenamen tegen geïntimeerde B, waarbij inzet is geweest het gebruik, de verhuur en de verkoop van het pand.

De betrokkene is in die procedure geen partij geweest.

Na de overeenkomst van 2011 is geïntimeerde B op 8 februari 2014 een huurovereenkomst met betrekking tot het pand aangegaan.

De andere erfgenamen hebben zich vervolgens beroepen op de overeenkomst van februari 2011, waarin is afgesproken dat geïntimeerde B niet gerechtigd is om een huurovereenkomst te sluiten.

Uit deze gang van zaken blijkt dat de erfgenamen niet zijn uitgegaan van een vruchtgebruik van betrokkene op het pand, maar dat het alleen de erfgenamen waren die onderling twistten omtrent het gebruik, de verhuur en de verkoop van het pand.

De huurovereenkomst die appellant op 20 oktober 2015 namens betrokkene heeft gesloten met huurder, heeft kunnen plaatsvinden op grond van de boedelvolmacht waarover betrokkene toen beschikte.

Door de intrekking van die boedelvolmacht was betrokkene niet (meer) gemachtigd de huurpenningen te innen, althans niet namens appellant.

Appellant concludeert dat betrokkene geen vruchtgebruik heeft gehad op het pand en zij dus ook niet gerechtigd was tot de huuropbrengsten.

Door de intrekking van de boedelvolmacht kon zij ook niet meer op grond daarvan de huuropbrengsten in ontvangst nemen.

Zij moet de door haar ontvangen opbrengsten afdragen aan de gezamenlijke erfgenamen.

Het hof merkt allereerst op dat het petitum van appellant niet valt te rijmen met zijn stelling dat aan betrokken geen vruchten toekomen uit het recht van vruchtgebruik, omdat dit nooit is gevestigd.

De verklaring voor recht, die appellant vordert heeft betrekking op de vaststelling van het einde van het vruchtgebruik.

Dit impliceert dat het recht in ieder geval tot 1 april 2015 zou hebben bestaan.

Het hof overweegt verder nog als volgt.

Appellant gaat er kennelijk van uit dat aan betrokkene geen vruchten uit het gelegateerde vruchtgebruik toekomen indien dit recht niet op de wettelijk voorgeschreven wijze is gevestigd.

Deze stelling vindt geen steun in de wet.

De nalatenschap van erflater is, nu hij in 2001 is overleden, vóór 1 januari 2003 opengevallen.

Op de vraag met ingang van welke datum betrokkene aanspraak kan maken op de vruchten van het legaat is art. 4:1006 lid 2 BW (oud) van toepassing:

hij (de gelegateerde, hof) heeft regt op de vruchten of rente, van den dag af van het overlijden van den erflater, indien de eisch tot afgifte binnen het jaar is gedaan, of indien die afgifte binnen hetzelfde tijdvak vrijwillig heeft plaats gehad. Indien die eisch later geschiedt, heeft hij slechts regt op de vruchten en de rente, te rekenen van den dag dat de eisch gedaan is.

In art. 4:124 BW – dat mede van toepassing is op een nalatenschap die vóór 1 januari 2003 is opengevallen, voor zover het vruchten betreft die na dat tijdstip zijn geïnd (zie art. 130 lid 2 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek) – wordt onder meer expliciet bepaald dat, tenzij de erflater anders heeft beschikt, een legataris aan wie het vruchtgebruik van de gehele nalatenschap is vermaakt, recht heeft op uitkering van de vruchten van het hem vermaakte die de erfgenamen hebben geïnd nadat zijn vordering opeisbaar is geworden.

De vordering van de legataris is opeisbaar op het tijdstip van het overlijden van de erflater, tenzij de erflater anders heeft bepaald (zie art. 6:38 BW en Asser/Perrick 4 2021/573).

Vast staat dat alle erfgenamen aan betrokkene op 30 juli 2001 een algehele boedelvolmacht hebben gegeven om de nalatenschap van erflater af te wikkelen.

Zij waren bekend met het legaat van betrokkene.

Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat haar rechten uit het vruchtgebruik door alle erfgenamen zijn erkend, dat de afgifte van de algehele boedelvolmacht vrijwillig heeft plaats gehad en dat zij met ingang van de dag van het overlijden van erflater recht heeft op de vruchten.

Dit recht kan niet ongedaan worden gemaakt door de latere intrekking (in 2018) van de volmacht door appellant.

Daarbij komt – zoals de rechtbank terecht heeft overwogen – dat de erfgenamen er vervolgens van uit zijn gegaan dat er een rechtsgeldig vruchtgebruik was.

Het hof kan de betekenis die appellant geeft aan de zinsnede in de ter zitting bij de rechtbank gesloten vaststellingsovereenkomst van 11 februari 2011 tussen de erfgenamen en geïntimeerde B, die naar betrokkene verwijst, niet volgen.

De andere erfgenamen hebben onbetwist gesteld dat juist het vruchtgebruik van betrokkene eraan in de weg heeft gestaan dat het pand, nadat de vaststellingsovereenkomst tot stand was gekomen, is verkocht.

Dat betrokkene geen partij was bij die procedure doet hier niet aan af.

Ook de stelling van appellant dat hij namens betrokkene de huurovereenkomst met huurder heeft kunnen sluiten omdat betrokkene bevoegdheden uit de boedelvolmacht toekwamen en niet uit het vruchtgebruik is naar het oordeel van het hof onnavolgbaar.

In deze situatie zou de huur immers aan de erfgenamen toekomen en niet aan betrokkene, terwijl in de huurovereenkomst juist is opgenomen dat de huur aan betrokkene als verhuurder toekwam.

Appellant heeft dit nadien eigenmachtig gewijzigd.

De grief faalt.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over een legaat, of over vruchtgebruik in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.