De Rechtbank Den Haag heeft op 8 december 2021 uitspraak gedaan over de vraag of rekening en verantwoording aan de erfgenamen diende te worden afgelegd bij een volmachtsverstrekking van erflater gedurende de verzorging en de behartiging van de belangen van de erflater door een familielid.
Eisers zijn broer en zus van elkaar.
Zij zijn de kinderen van A, overleden op 4 april 2019.
Gedaagde 1 is de zus van erflater. Gedaagde 2 is de partner van gedaagde 1 en gedaagde 3 en gedaagde 4 zijn hun kinderen.
Erflater heeft niet bij testament over zijn nalatenschap beschikt, zodat zijn kinderen (ieder voor de helft) zijn erfgenamen zijn. Zij hebben de nalatenschap zuiver aanvaard.
Gedaagde 1 en gedaagde 3 hebben geen rekening en verantwoording afgelegd over wat er is gebeurd met het geld van erflater en zij hebben geen administratie bijgehouden.
Eisers stellen dat dit voor rekening en risico van gedaagden dient te komen.
Gedaagden betogen dat zij rekening en verantwoording hebben afgelegd aan erflater, omdat erflater overal bij aanwezig was.
Hij was aanwezig bij het uitgeven van het geld en bij het pinnen.
Het is volgens gedaagden te lang geleden (vijf, zes jaar), om precies aan te kunnen geven welk bedrag waaraan is besteed.
Erfrecht. Volmacht. Verzorging en behartiging van de belangen van erflater door een familielid. Dient rekening en verantwoording aan de erfgenamen te worden afgelegd? Dementie. Toetsing. Bewijs.
De rechter oordeelt als volgt.
Gedaagde 1 en gedaagde 3 hebben bij het verstrekken van de volmachten door erflater geen (bepaalde) vorm van rekening en verantwoording opgelegd gekregen en erflater heeft daar in de loop van het beheer niet alsnog om gevraagd.
Uit de wet of uit een contractuele relatie tussen gedaagde 1, gedaagde 3 en erflater volgt dus niet dat gedaagde 1 en gedaagde 3 rekening en verantwoording moeten afleggen.
Resteert de mogelijkheid dat uit hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt voortvloeit dat gedaagde 1 en gedaagde 3 jegens eisers alsnog rekening en verantwoording afleggen.
In dit verband stelt de rechtbank voorop dat het antwoord op de vraag of een zodanige verantwoording vereist is, sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval.
Omstandigheden die in dit verband een rol kunnen spelen zijn onder meer:
(i) de redenen waarom het beheer is gevoerd, (ii) de verhouding die bestond tussen degene die het beheer voerde en de rechthebbende, (iii) hetgeen in de relatie tussen partijen of in soortgelijke gevallen gebruikelijk is of was, (iv) de mate waarin degene die het beheer voerde zelfstandig kon en mocht handelen, en (v) de mate waarin de rechthebbende in staat is geweest de handelingen van degene die het beheer voerde te overzien en voor zijn belangen op te komen (zie Hoge Raad 9 mei 2014, HR:2014:1089).
Hier gaat het om een familierelatie en om handelingen die zijn verricht in verband met de behartiging van de belangen en de verzorging van erflater, een kwetsbare oudere man.
Gedaagde 1 heeft hierbij een centrale rol gespeeld.
Niet alleen wat het financiële beheer betreft, maar eveneens bij de dagelijkse zorg voor erflater.
Ook ging gedaagde 1 met erflater mee bij doktersbezoek en ziekenhuisbezoek.
Vanaf 2014 bezocht erflater een psychiater, waarbij gedaagde 1 met hem meeging.
Erflater had een PGB in verband met de zorgtaken die gedaagde 3 vervulde voor erflater en uit dien hoofde had gedaagde 3 een extra verantwoordelijkheid.
Gedaagde 1 en gedaagde 3 konden en mochten op grond van de aan hen verleende volmachten zelfstandig handelen.
Daaruit zou wellicht kunnen worden afgeleid dat de uitgaven en geldopnames door gedaagde 1 en gedaagde 3 de instemming van erflater hadden en gedaagde 1 en gedaagde 3 om die reden in beginsel geen rekening en verantwoording af hoeven te leggen.
Echter, vaststaat dat bij erflater in maart 2016 vergevorderde dementie is geconstateerd en uit de overlegde medische stukken komt het beeld naar voren dat de geestelijke toestand van erflater in de jaren voorafgaand aan maart 2016 al verslechterde, wat uiteindelijk op 16 augustus 2016 heeft geleid tot een onderbewindstelling en mentorschap.
De rechtbank verwijst naar het rapport van 16 april 2014 waarin al een verwijzing is opgenomen naar Parnassia voor specifieke begeleiding.
Alhoewel uit de overgelegde stukken niet de duidelijke conclusie kan worden getrokken dat erflater al veel eerder niet meer in staat was om zijn wil te bepalen, is de rechtbank wel van oordeel dat erflater – gelet op het verslechterende beeld dat uit de medische stukken volgt en zijn afhankelijkheid van gedaagde 1 en gedaagde 3 ten aanzien van het financiële beheer en de dagelijkse zorg – vanaf de aanvang van het beheer door gedaagde 1 en gedaagde 3 niet in staat is geweest de handelingen van gedaagde 1 en gedaagde 3 te overzien en voor zijn belangen op te komen.
Tijdens de zitting heeft gedaagde 1 verklaard dat erflater vergeetachtig was en dat zij zag dat het niet goed met hem ging.
Verder heeft zij verklaard dat erflater zijn brood niet zelf kon smeren en dat hij zichzelf later ook niet meer kon verzorgen.
De rechtbank is gelet op de omstandigheden van oordeel dat gedaagde 1 en gedaagde 3 jegens eisers wel openheid van zaken dienen te geven over de periode waarin zij waren gevolmachtigd.
Gedaagde 1 en gedaagde 3 hebben niet inzichtelijk gemaakt waaraan de door hen opgenomen gelden precies zijn besteed.
Zij hebben geen bonnetjes overgelegd of andere schriftelijke stukken waaruit blijkt waaraan het geld van erflater is uitgegeven.
Zij hebben desgevraagd zelfs niet kunnen vertellen welk gedeelte van het geld van erflater opging aan uitjes en prostitueebezoek en welk gedeelte in de koffer werd bewaard.
De stelling van gedaagden dat erflater steeds aanwezig was bij alle uitgaven, waaronder de uitjes die (meestal) op zaterdagavond plaatsvonden en derhalve van de uitjes heeft geprofiteerd of althans zijn instemming eraan heeft gegeven, is door eisers gemotiveerd betwist en vervolgens niet door gedaagden onderbouwd.
F heeft hierover tijdens het voorlopig getuigenverhoor verklaard dat erflater vanaf 2014 nergens meer naartoe ging en niets deed op zaterdagavonden.
Ook heeft F verklaard dat erflater en hij elkaar vaak op zaterdagavond belden en dat erflater dan altijd telefonisch bereikbaar was.
Gelet op de gedetailleerde en onder ede afgelegde getuigenverklaring van F gaat de rechtbank voorbij aan de niet onderbouwde verklaring van gedaagde 1 ter zitting dat de verklaring van F niet juist is omdat F en erflater jarenlang ruzie hadden.
Gedaagden hebben getuigenbewijs aangeboden van hun stelling dat erflater instemde met de uitgaven voor de uitjes met gedaagde 3.
Gedaagde 3 heeft tijdens het voorlopig getuigenverhoor onder ede verklaard dat alleen zijn vriend G erbij was als hij met erflater op stap ging.
Daarom gaat de rechtbank voorbij aan het bewijsaanbod van gedaagden dat inhoudt dat de heer H kan verklaren over de uitgaven bij het uitgaan met erflater en de instemming dat erflater trakteerde.
De verklaring van G heeft naast de verklaring van F onvoldoende belang.
Zeker ook omdat het niet waarschijnlijk is dat twee jongens van in de twintig wekenlang op zaterdagavond naar allemaal sekshuizen in Duitsland en België rijden om erflater wat vertier te geven.
De rechtbank neemt nog in aanmerking dat het in zijn totaliteit niet om relatief geringe bedragen gaat: ruim € 70.000 in een periode van twee jaar.
Ook uit de hoogte van deze bedragen kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat het mogelijk, of zelfs waarschijnlijk is dat het betreffende geld niet (geheel) door en voor erflater is besteed.
Het lag in deze zaak op de weg van gedaagde 1 en gedaagde 3 om op te helderen waaraan het geld van erflater is besteed, zodat kon worden vastgesteld of en in hoeverre het geld ten goede is gekomen aan erflater.
Dat hebben zij niet gedaan.
Daarom zijn zij beiden als gevolmachtigden tekortgeschoten jegens erflater en moeten zij de niet verantwoorde bedragen die van de bankrekeningen zijn afgeschreven in de periode waarin zij gevolmachtigd waren aan erflater en dus aan eisers vergoeden.
Weliswaar was gedaagde 3 pas vanaf oktober 2014 gevolmachtigd op één van de bankrekeningen van erflater, waarvoor gedaagde 1 dan weer geen volmacht had, maar de rechtbank acht zowel gedaagde 1 als gedaagde 3 verantwoordelijk voor alle uitgaven.
Gedaagden stellen zelf dat gedaagde 1 en gedaagde 3 de geldzaken van erflater beheerden.
Verder had gedaagde 3 het PGB en ging, naar eigen zeggen, regelmatig op stap met de bankpas van erflater.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over de verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.