De Rechtbank Noord-Holland heeft onlangs uitspraak gedaan over de uitkering van een levensverzekering bij de verdeling van een nalatenschap.

Gedaagde heeft een relatie gehad met betrokkene.

Op 1 juli 1993 heeft gedaagde voor betrokkene een levensverzekering afgesloten bij RVS.

Gedaagde was hierbij aangewezen als begunstigde.

RVS is inmiddels overgenomen door Nationale Nederlanden.

Op 30 oktober 1996 zijn betrokkene en gedaagde in gemeenschap van goederen gehuwd.

In oktober 2004 is betrokkene een relatie aangegaan met eiser.

Op 1 februari 2005 zijn betrokkene en gedaagde gescheiden.

De levensverzekering is niet benoemd in het echtscheidingsconvenant.

Bij testament van 8 januari 2018 heeft betrokkene eiser aangewezen als enig erfgenaam en executeur van de nalatenschap.

Op 21 april 2024 is betrokkene overleden

Eiser legt aan de vordering het volgende ten grondslag.

Hij stelt dat hij met gedaagde heeft afgesproken dat gedaagde afstand zou doen van de uitkering van de levensverzekering en dat gedaagde deze aan hem zou betalen.

Subsidiair legt eiser aan zijn vordering ten grondslag dat het beroep van gedaagde op de begunstiging van de levensverzekering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Als er aan begunstiging aan gedaagde geen effect toekomt, komt de uitkering toe aan de verzekeringsnemer (betrokkene).

Omdat betrokkene is overleden komt de uitkering toe aan eiser als haar enige erfgenaam, aldus eiser.

Erfrecht. Verdeling van een nalatenschap. Uitkering van een levensverzekering. Begunstiging. Afstand van recht? Redelijkheid en billijkheid. Uitzonderlijke omstandigheden.

De rechter oordeelt als volgt.

Gedaagde betwist dat hij met eiser heeft afgesproken om afstand te doen van de uitkering van de levensverzekering.

Volgens hem werd hij door de e-mail van eiser op 24 april 2024 tegelijkertijd geconfronteerd met het overlijden van betrokkene en met de vraag naar de afwikkeling van de levensverzekering.

Het afsluiten van de levensverzekering was meer dan dertig jaar geleden en daarom wilde hij eerst uitzoeken hoe dit gegaan was.

Hij schrijft in de e-mail ook dat hij het op dat moment niet goed kon plaatsen.

De toezegging moet slechts worden gezien als meedenken in het proces van afwikkeling, aldus eiser.

De kantonrechter oordeelt dat, gelet op de betwisting door gedaagde, eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat zij hebben afgesproken dat gedaagde afstand zou doen van de uitkering van de levensverzekering.

Met name heeft gedaagde voldoende aannemelijk gemaakt dat hij met de e-mail van 24 april 2024 bedoelde dat hij ‘mee zou denken’ in het proces van afwikkeling van de levensverzekering, waarbij hij eerst alles op een rijtje wilde krijgen en wilde controleren wie de premie daarvan had betaald.

Daarmee kan deze e-mail naar het oordeel van de kantonrechter niet gezien worden als een (bindend) aanbod tot betaling van de uitkering daarvan aan gedaagde.

Daarom is er geen overeenkomst tot stand gekomen en slaagt het beroep van eiser daarop niet.

Subsidiair legt eiser aan zijn vordering ten grondslag dat het beroep van gedaagde op de begunstiging van de levensverzekering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Hij voert aan dat gedaagde de levensverzekering voor betrokkene heeft afgesloten.

Weliswaar staat gedaagde daarop vermeld als begunstigde, maar dat was betrokkene niet bekend.

Zij was er waarschijnlijk vanuit gegaan dat gedaagde slechts als begunstigde was aangewezen in de hoedanigheid van partner van betrokkene.

Met de echtscheiding beoogde zij om alle banden met gedaagde te verbreken.

Er was daarna ook geen contact meer tussen betrokkene en gedaagde.

Door het opmaken van het testament, een samenlevingscontract en een levenstestament had zij de wens om bij het overlijden alles na te laten aan eiser.

Daarbij ging zij ervan uit dat de uitkering van de levensverzekering ook aan eiser zou toekomen.

Ook heeft gedaagde niets geregeld voor het overlijden en de uitvaart.

Daarom moet er volgens hem geen effect toekomen aan de begunstiging van de levensverzekering.

In dat geval komt de uitkering van de levensverzekering aan hem toe, als enig erfgenaam van betrokkene.

Eiser verwijst hierbij naar een arrest van de Hoge Raad (HR 6 juli 2018, HR:2018:1102).

Gedaagde betwist dit.

Hij voert aan dat hij in 1993 de verzekering voor betrokkene heeft afgesloten omdat zij onverzekerd was.

Hij heeft daarbij meteen een forse betaling gedaan om deze gelijkwaardig te maken aan zijn eigen (al langer lopende) levensverzekering.

Tijdens het huwelijk werd de premie betaald vanuit de huwelijksgoederengemeenschap. De polis was in ieder geval in 2011 al premievrij.

Dit betekent dat hij het grootste gedeelte van de premie daarvan heeft betaald.

[betrokkene] had met één telefoontje naar Nationale Nederlanden ervoor kunnen kiezen om te begunstiging van de verzekering te wijzigen, maar zij heeft dit kennelijk niet gedaan.

Er zijn ook geen gebeurtenissen of gedragingen van betrokkene die erop wijzen dat hij niet de begunstigde van de verzekering zou moeten zijn, aldus gedaagde.

De kantonrechter overweegt dat het polisblad niet in het geding is gebracht.

Eiser heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld hier niet meer over te beschikken.

Gedaagde heeft de verzekering afgesloten maar ook hij heeft de polis niet (in het geding gebracht).

Daarom staat niet vast wie de verzekeringnemer van de verzekering was.

Dit betekent dat ook niet beoordeeld kan worden wat de bedoelingen waren van de verzekeringnemer bij de aanwijzing van de begunstiging van de levensverzekering.

Eiser doet een beroep op een arrest van de Hoge Raad.

Aan dat arrest lagen echter bijzondere omstandigheden ten grondslag.

Naar het oordeel van de kantonrechter doen deze bijzondere omstandigheden zich hier niet voor.

De kantonrechter stelt hierbij voorop dat hij terughoudend moet zijn bij de beoordeling of een toepassing van een regel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Vast staat dat gedaagde de levensverzekering voor betrokkene heeft afgesloten en in ieder geval een aanzienlijk gedeelte van de premie heeft betaald, waaronder een gedeelte uit de huwelijksgoederengemeenschap.

De enkele omstandigheid dat de begunstiging afwijkt van de testamentaire beschikking van betrokkene en dat zij deze kennelijk niet heeft gewijzigd, maakt niet dat het beroep van gedaagde daarop naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Het had op de weg van eiser gelegen om nader te onderbouwen in hoeverre de omstandigheden van dit geval zodanig vergelijkbaar waren met de omstandigheden die zich voordeden in het bovengenoemde arrest van de Hoge Raad, of dat de gevolgen van het beroep op de begunstiging door gedaagde anderszins leidde tot een uitkomst die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Naar het oordeel van de kantonrechter is eiser daar niet in geslaagd.

Dit betekent dat het beroep op de begunstiging door gedaagde in stand blijft.

De vordering van eiser zal worden afgewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.