De Rechtbank Den Haag heeft onlangs uitspraak gedaan over de waardebepaling en taxatie van een woning.

Deze zaak gaat over de afwikkeling van de nalatenschap van de moeder van A en B.

Er zijn veel geschilpunten, waar de rechtbank in dit vonnis op zal beslissen.

Dit biedt handvatten voor de afwikkelingsbewindvoerder om de nalatenschap vervolgens zelf te verdelen en af te wikkelen, conform het testament van moeder.

Daartoe is de afwikkelingsbewindvoerder immers zelfstandig bevoegd, zonder medewerking van de erfgenamen.

De woning is in opdracht van de afwikkelingsbewindvoerder getaxeerd door per 3 juni 2019 op een bedrag van € 410.000,00.

A betoogt dat de waarde van de woning hoger is en onderbouwt dit als volgt.

De WOZ-waarde bedroeg op 1 januari 2019 € 541.000,00 en op 1 januari 2020 € 578.000,00.

Hier is geen bezwaar tegen gemaakt.

De waarde is dus minstens € 550.000,00.

Bovendien heeft B de woning op 8 mei 2023 voor € 595.000,00 verkocht.

A heeft tijdens de mondelinge behandeling nog naar voren gebracht dat de waardebepaling zoals in F onder 1 van het testament nietig is, omdat artikel 4:6 BW een bepaling bevat over de waarde van de goederen van de nalatenschap.

Erfrecht. Verdeling van een nalatenschap. Waardebepaling van een. woning. Waarde in het economisch verkeer. Peildatum. Afwijkende WOZ-waarde. Taxatie.

De rechter oordeelt als volgt.

De afwikkelingsbewindvoerder stelt zich op het standpunt dat A aan het taxatierapport is gebonden omdat het testament een duidelijke waarderingsregeling geeft en de afwikkelingsbewindvoerder de waarde conform het testament heeft laten bepalen.

B is akkoord met de getaxeerde waarde.

De afwikkelingsbewindvoerder heeft een NWWI-taxatie laten verrichten.

Op bladzijde 15 van het taxatierapport is opgenomen dat de gemeente is geraadpleegd, zodat de taxateur volgens B waarschijnlijk wel heeft gekeken naar de WOZ-waarde.

De WOZ-waarde is niet gelijk aan de vrije verkoopwaarde en door ligging, kavelindeling en staat van onderhoud is dit geen courante woning, aldus B.

De rechtbank is van oordeel dat voor de waarde van de woning moet worden uitgegaan van een bedrag van € 410.000,00 en motiveert dit als volgt.

Artikel 4:6 BW bepaalt dat in Boek 4 BW onder de waarde van de goederen van de nalatenschap wordt verstaan de waarde van die goederen op het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van de erflater.

De rechtbank is van oordeel dat artikel F.1 van het testament van erflaatster niet in strijd is met artikel 4:6 BW.

In artikel F.1 van het testament is bepaald dat de waarde wordt vastgesteld door een door de executeur aan te wijzen deskundige.

Dit is gebeurd.

De afwikkelingsbewindvoerder heeft het taxatierapport overgelegd, waarin de marktwaarde (de waarde in het economisch verkeer) is bepaald.

Een afwijkende WOZ-waarde is onvoldoende om te concluderen dat de taxatie onbetrouwbaar of onjuist is.

Niet is gebleken dat de taxateur niet de waarde in het economisch verkeer op de datum van overlijden van erflaatster heeft vastgesteld.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.