Van onze advocaat verdeling erfenis. De Rechtbank Noord-Holland heeft op 4 juli 2018 uitspraak gedaan over de vereffening van een nalatenschap. De vereffenaar in de nalatenschap heeft ten onrechte € 20.000,00 in de nalatenschapsboedel laten vloeien in plaats van in de faillissementsboedel van een BV waar erflater aandeelhouder van was. De curator van de failliete BV maakt als eiser terecht bezwaar.
Op 25 september 2010 is overleden de erflater.
Mr. H is op 23 december 2010 door de rechtbank Alkmaar tot vereffenaar benoemd in de nalatenschap van erflater.
Van de nalatenschap van erflater maken diverse aandelen in vennootschappen deel uit. De erflater was daarvan indirect bestuurder en 100% aandeelhouder.
Kern van het geschil tussen partijen is of het door de vereffenaar ontvangen bedrag van € 20.000,-toe moest komen aan de boedel van de vennootschap of aan de nalatenschapsboedel van erflater.
Afwikkeling nalatenschap. Onrechtmatige daad van de vereffenaar. Persoonlijke aansprakelijkheid vereffenaar?
Hiertoe wordt het volgende overwogen.
Anders dan de vereffenaar stelt, kon de nalatenschap en de vereffening daarvan niet plaatsvinden door alles “op een grote hoop te gooien”.
Nu in de boedel van de nalatenschap van ook de aandelen van diverse vennootschappen zaten en ook die vennootschappen moesten worden geliquideerd, mocht van de vereffenaar (als redelijk handelend vereffenaar) worden verwacht dat hij bij zijn werkzaamheden ook de vennootschapsrechtelijke consequenties van zijn handelen in ogenschouw zou nemen.
Onbetwist staat vast dat alle werkzaamheden waarvoor E een vergoeding van € 20.000,- heeft betaald – te weten opheffing van beslagen teneinde de betreffende percelen in Amstelveen aan E te kunnen leveren en beëindiging van de vof – door de vereffenaar zijn verricht ten behoeve van de vennootschap. Daarmee staat naar het oordeel van de kantonrechter tevens vast er eigenlijk geen enkele materiële grond is (geweest) om de vergoeding van € 20.000,- te betalen aan de nalatenschapsboedel. De ongerechtvaardigde verrijking door de nalatenschap is daarmee een gegeven.
De vergelijking met een boedelbijdrage in faillissement gaat niet op, omdat het in die situaties gaat om een bijdrage aan de failliete boedel en niet om bijdrage aan derde(n).
Het handelen van de vereffenaar is ook persoonlijk onrechtmatig.
Vast staat dat de vereffenaar in december 2015 wist dat er na de afwikkeling van de vof geen actief zou resteren. Door als vereffenaar en als vereffenaar van de vennootschap een vergoeding te bedingen voor werkzaamheden die niet zijn verricht ten laste van de nalatenschap en eigenlijk zou moeten toebehoren aan de vennootschap, wetende dat daardoor schuldeisers worden benadeeld, handelt de vereffenaar persoonlijk onrechtmatig jegens de curator. Van zijn handelen als vereffenaar van de vennootschap valt de vereffenaar een persoonlijk ernstig verwijt te maken.
Het verweer van de vereffenaar dat al in 2011 was overeengekomen dat de nalatenschapsboedel een vergoeding zou krijgen voor de werkzaamheden, omdat toen nog niet duidelijk was dat een faillissement voor de vennootschap zou dreigen, snijdt geen hout.
Uit zijn brief van 24 mei 2011 aan E blijkt niet dat die vergoeding ten goede zal komen aan de nalatenschapsboedel. Hieruit blijkt slechts dat de vereffenaar werkzaamheden zal verrichten ten behoeve van de onderneming en dat daarvoor een bedrag aan de boedel zal worden betaald, zonder dat is gespecificeerd welke boedel dat is.
Dat de vereffenaar op dat moment nog geen vereffenaar van de vennootschap was, doet daar niet aan af, omdat het in de lijn der verwachtingen lag dat hij dat wel zou worden.
Dat sprake was van een overeenkomst van opdracht tussen de vereffenaar van de nalatenschap en E is onvoldoende onderbouwd en ook niet aannemelijk. Zelfs als uit de brief van 24 mei 2011 zou kunnen worden afgeleid dat er zou worden betaald aan de nalatenschapsboedel – “In casu heeft E de medewerking nodig van de nalatenschap om het onroerend goed in haar bezit te krijgen” – dan nog had het op de weg van de vereffenaar gelegen, als vereffenaar van nalatenschap en (nadien) als vereffenaar van de vennootschap, om te bewerkstelligen dat de vergoeding alsnog in de boedel van de vennootschap zou vloeien.
Ten slotte heeft de vereffenaar nog verwezen naar het tussenvonnis van de rechtbank Noord-Holland van 10 november 2015 waaruit zou blijken dat de insolventierechter akkoord is gegaan met betaling van de vergoeding aan de nalatenschap. Het betreft het een tussenbeslissing op een faillissementsverzoek betreffende de vennootschap. In de eerste plaats is de kantonrechter van oordeel dat niet ter beoordeling van de faillissementsrechter voorligt of bepaalde transacties toelaatbaar zijn. Bovendien blijkt, in de tweede plaats, dit standpunt van de vereffenaar niet uit dat tussenvonnis.
De vereffenaar heeft ook nog aangevoerd, dat hij de opdracht had om de nalatenschap af te wikkelen en dat hij dat naar behoren heeft gedaan. De kantonrechter is hierover van oordeel dat, wat van deze stelling ook moge zijn, dit zijn persoonlijke onrechtmatige handelen jegens de curator niet wegneemt.
Voor zover de vereffenaar zicht beroept op verrekening is dit verweer onvoldoende gespecificeerd, zodat dit verweer wordt verworpen.
De schade wegens de ongerechtvaardigde verrijking en het onrechtmatig handelen van de vereffenaar kan worden begroot op een bedrag van € 20.000,-. Dit is immers het bedrag dat in de boedel van de vennootschap zou zijn gevloeid indien de nalatenschap niet ongerechtvaardigd was verrijkt en de vereffenaar niet onrechtmatig zou hebben gehandeld. In zoverre is de vordering tegen de vereffenaar als vereffenaar in de nalatenschap van en tegen de vereffenaar pro se toewijsbaar, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over de taken en bevoegdheden van een vereffenaar, over het ontslag van een vereffenaar of over de aansprakelijkheid van een vereffenaar, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980140.