De Rechtbank Overijssel heeft op 13 april 2021 uitspraak gedaan over een geschil over de sieraden uit de nalatenschap van moeder, de erflaatster.

Eiser legt aan de vordering tot afgifte van de sieraden ten grondslag dat de sieraden eigendom van hem zijn en dat gedaagde de sieraden zonder rechtsgrond onder zich heeft.

De kantonrechter begrijpt dat eiser voor zijn gepretendeerde eigendomsrechten een beroep doet op de gemeenschap van goederen waarin hij met A was gehuwd en de wettelijke verdeling van de nalatenschap van A, als onderdeel van de huwelijksgemeenschap, uit hoofde van artikel 4:13 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Op grond van dat artikel verkrijgt de echtgeno(o)t(e) van rechtswege de goederen van de nalatenschap van de overleden echtgeno(o)t(e) ingeval de erflater een echtgeno(o)t(e) en één of meer kinderen als erfgenamen achterlaat.

Het verweer van gedaagde komt erop neer dat A in april 2019 in het verpleeghuis de sieraden heeft geschonken aan gedaagde.

De sieraden zijn daardoor haar eigendom geworden en behoorden op het moment van overlijden van A niet meer aan A toe, zodat eiser deze ook niet van A heeft kunnen verkrijgen.

De sieraden hoeven daarom niet afgegeven te worden aan eiser, aldus de advocaat van gedaagde.

Erfrecht. Geschil over sieraden van erflaatster. Vordering tot afgifte van de sieraden. Eigendom. Bewijs. Bezit en bewijsvermoeden. Schenking?

De rechter oordeelt als volgt.

Op grond van de hoofdregel in artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) draagt eiser de stelplicht en de bewijslast (en daarmee het bewijsrisico) van zijn gepretendeerde eigendomsrechten op de sieraden.

Tussen partijen staat niet ter discussie dat gedaagde, die zich op het standpunt stelt dat de sieraden aan haar toebehoren, daarvan de bezitter is; zij houdt de sieraden immers voor zichzelf.

Dat brengt mee dat gedaagde op grond van artikel 3:119 BW als bezitter ook vermoed wordt rechthebbende te zijn van de sieraden.

Dit betekent dat het aan eiser is om dit wettelijke vermoeden te weerleggen.

Het bovenstaande leidt ertoe dat het op de weg van eiser ligt om voldoende feiten of omstandigheden te stellen – en deze zo nodig te bewijzen – ter weerlegging van het standpunt van gedaagde dat de sieraden aan haar zijn geschonken en daarmee haar eigendom zijn geworden – dat is immers de feitelijke onderbouwing die gedaagde heeft gegeven aan haar standpunt dat zij rechthebbende op de sieraden is.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft eiser onvoldoende aangevoerd om het hiervoor besproken vermoeden dat gedaagde rechthebbende is op de sieraden, te weerleggen.

Daartoe wordt het navolgende overwogen.

Volgens eiser was A zozeer gehecht aan de sieraden dat zij daarvan nooit afstand kan hebben gedaan vóór haar overlijden.

Eiser heeft evenwel niet weersproken dat A de sieraden al een tijd niet meer droeg.

Verder heeft gedaagde verklaard dat A de sieraden bewust had meegenomen naar het verpleeghuis, omdat zij de sieraden niet wilde achterlaten bij eiser, met wie zij een slechte verstandhouding had en van wie zij wilde scheiden, aldus gedaagde.

Eiser betwist weliswaar dat hij een slechte verstandhouding had met A en dat A van hem wilde scheiden, maar hij heeft niet weersproken dat hij met A een aanvaring heeft gehad toen hij zijn eigen zegel- en trouwringen kwam ophalen in het verpleeghuis.

Voorts komt uit de door gedaagde overlegde rapportages van zorgverleners het beeld naar voren dat het contact tussen eiser en A niet goed was.

Eiser heeft ook niet concreet en onderbouwd gesteld dat A wilde dat de sieraden bij hem terecht zouden komen na haar overlijden.

Dit alles maakt het goed voorstelbaar dat A de sieraden heeft geschonken aan gedaagde – volgens haar was dat een aantal dagen na de aanvaring met eiser bij het ophalen zijn eigen zegel- en trouwringen – omdat A de sieraden liever bij leven weggaf aan haar dochter, dan dat de sieraden na haar overlijden bij eiser terecht zouden komen.

Dit geldt te meer nu gedaagde een schriftelijke verklaring van 4 oktober 2020 van haar broer B heeft overgelegd, waarin B verklaart dat hij op zondag 21 april 2019 aan zijn moeder A heeft gevraagd of het klopt dat zij de sieraden aan gedaagde had gegeven en dat A daar bevestigend op heeft geantwoord.

Verder is in de verklaring van B vermeld dat hij dat ook begrijpt na wat er was gebeurd, en dat hij ermee instemt omdat gedaagde zoveel voor A heeft gedaan.

Uit het bovenstaande volgt dat gedaagde gemotiveerd heeft gesteld dat, onder welke omstandigheden, en om wat voor reden haar moeder, A, de sieraden aan gedaagde heeft geschonken.

Eiser heeft dit een en ander niet voldoende gemotiveerd tegengesproken, en heeft daarmee te weinig aangevoerd om te concluderen dat de door gedaagde gestelde schenking onjuist is.

Het moet er daarom voor worden gehouden dat de sieraden zijn geschonken aan gedaagde vóór het overlijden van A en dus niet op grond van het huwelijksgoederen- en/of erfrecht eigendom van eiser kunnen zijn geworden.

Dit brengt mee dat eiser ook niet kan worden gevolgd in zijn niet nader onderbouwde standpunt dat de sieraden zijn gestolen door gedaagde.

De slotsom is dat er geen grond is voor afgifte van de sieraden aan eiser.

De vordering tot afgifte van de sieraden zal daarom worden afgewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of roerende of onroerende zaken in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.