Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of een beschermingsbewindvoerder als een ‘wettelijke vertegenwoordiger’ kon worden aangemerkt.

De belangrijkste grief van verzoekster is dat de kantonrechter artikel 4:193 BW hier ten onrechte heeft toegepast.

Volgens verzoekster is deze bepaling niet van toepassing op de bewindvoerder in een bewind van artikel 1:431 BW (hierna: beschermingsbewind).

Volgens verzoekster wordt de verwerping van een nalatenschap door de beschermingsbewindvoerder geregeld in artikel 1:441 lid 2 onder a BW, zodat de bewindvoerder met toestemming van de rechthebbende zelf tot verwerping bevoegd is en pas machtiging van de kantonrechter nodig heeft, indien de rechthebbende weigerachtig of niet in staat is om toestemming te verlenen.

Erfrecht. Verdeling nalatenschap. Bewind. Beschermingsbewind. Aanvaarding of verwerping van nalatenschap. Is de beschermingsbewindvoerder een ‘wettelijke vertegenwoordiger’?

De rechter oordeelt als volgt.

Artikel 4:193 BW bepaalt dat een wettelijke vertegenwoordiger van een erfgenaam voor deze niet zuiver kan aanvaarden en voor verwerping een machtiging van de kantonrechter nodig heeft.

De wettelijke vertegenwoordiger is verplicht een verklaring van beneficiaire aanvaarding of van verwerping af te leggen binnen drie maanden vanaf het tijdstip waarop de nalatenschap of het aandeel daarin aan de erfgenaam toekomt.

Heeft de wettelijke vertegenwoordiger de termijn laten verlopen, dan geldt de nalatenschap als door de erfgenaam beneficiair aanvaard.

De vraag is of de bewindvoerder in een beschermingsbewind een wettelijke vertegenwoordiger is in de zin van artikel 4:193 BW.

Bij de vraag of dit het geval is moet worden gelet op de gangbare betekenis van de bewoordingen van deze bepaling, op de wets- en rechtsgeschiedenis, op de strekking van de bepaling en op verwante bepalingen in het Burgerlijk Wetboek.

Het begrip wettelijke vertegenwoordiger wordt vooral gebruikt voor de vertegenwoordiging van handelingsonbekwamen (minderjarigen en curandi).

Gelet op de gangbare betekenis van de woorden ‘wettelijke vertegenwoordiger’ kan ook een bewindvoerder in een beschermingsbewind heel goed onder het begrip ‘wettelijke vertegenwoordiger’ vallen.

Die gangbare betekenis is dat de wet voor een bepaald geval, hier een beschermingsbewind, een vertegenwoordiger aanwijst.

Daarbij is van belang of de handeling die de vertegenwoordiger verricht tot zijn wettelijke taak behoort.

Wie in een bepaling als bijvoorbeeld artikel 4:193 BW met wettelijke vertegenwoordiger is bedoeld hangt af van de context waarin die bepaling staat.

Het gaat daarin om aanvaarding en verwerping van een nalatenschap.

Dat zijn eenzijdige ongerichte rechtshandelingen die bij een beschermingsbewind dat is ingesteld over alle goederen die zullen toebehoren aan een rechthebbende tot de taak van de bewindvoerder horen en dus ook onder diens wettelijke vertegenwoordiging vallen.

In de parlementaire geschiedenis is geen aandacht besteed aan de verhouding tussen artikel 4:193 BW en artikel 1:441 lid 5 BW.

Er zijn twee in het oog springende verschillen tussen beide bepalingen:

Volgens artikel 4:193 BW kan de wettelijke vertegenwoordiger niet zuiver aanvaarden; in artikel 1:441 lid 5 BW is bepaald dat de bewindvoerder wel zuiver kan aanvaarden, maar dat alleen kan met toestemming van de rechthebbende.

In artikel 4:193 BW is geregeld dat de wettelijke vertegenwoordiger voor verwerping de machtiging van de kantonrechter nodig heeft en binnen drie maanden vanaf het tijdstip dat de nalatenschap of een aandeel daarin toekomt aan degene die hij vertegenwoordigt de verklaring van verwerping moet afleggen.

In artikel 1:441 BW of elders in titel 19 van Boek 1 BW is geen expliciete bepaling over verwerping namens de rechthebbende opgenomen.

Wel bepaalt artikel 1:441 lid 2 letter a BW dat de bewindvoerder toestemming van de rechthebbende of vervangende toestemming van de kantonrechter nodig heeft voor het beschikken over een onder bewind staand goed.

Verwerping is een eenzijdige ongerichte rechtshandeling die is aan te merken als het beschikken over goederen (de nalatenschap of het aandeel daarin) die van rechtswege zijn overgegaan op de rechthebbende/erfgenaam (artikel 4:182 lid 1 BW); de verwerping werkt terug tot het ogenblik van het openvallen van de nalatenschap (artikel 4:190 lid 4 BW) en heeft als effect dat de goederen van de nalatenschap of het aandeel daarin niet tot het vermogen van de rechthebbende zijn gaan behoren.

Voor het afwezigenbewind dat blijkens de wetsgeschiedenis onder de reikwijdte van artikel 4:193 BW valt geldt vanaf 2003 vanwege de overeenkomstige toepassing van artikel 1:345 lid 1 letter a BW dat voor verwerping altijd de machtiging van de kantonrechter nodig is; toestemming van de rechthebbende die afwezig is kan daar geen rol spelen.

Als ratio van artikel 4:193 lid 2 BW (na het verstrijken van de termijn van drie maanden wordt de nalatenschap geacht als door de erfgenaam beneficiair te zijn aanvaard) wordt genoemd (Parl. Gesch. Boek 4 BW, p. 942):

“Het voordeel is dat de rechtstoestand van de nalatenschap en de rechtspositie van de erfgenaam niet langdurig in het onzekere kunnen blijven.”

Zie ook Parl. Gesch. Boek 4 BW, p. 946-947:

“Evenmin ziet de ondergetekende voldoende grond om alsnog af te stappen van de kortelings bij de vaststelling van het nieuwe Boek 1 en de Invoeringswet uitdrukkelijk gehandhaafde regel dat een nalatenschap door de wettelijke vertegenwoordiger van een minderjarige of curandus slechts onder voorrecht van boedelbeschrijving kan worden aanvaard.

Een wettelijke vertegenwoordiger behoort niet op kosten van de vertegenwoordigde het risico te aanvaarden dat de verhouding tussen de goederen en de schulden der nalatenschap tegenvalt en de vertegenwoordigde met een passief saldo wordt belast.”

Naast bevordering van de rechtszekerheid en beperking van het risico van een negatieve nalatenschap beoogt artikel 4:193 BW de rechthebbende ook te beschermen tegen de kosten die zijn gemoeid met het (laten) opstellen van een verklaring van beneficiaire aanvaarding en de inschrijving daarvan in het boedelregister:

“Ter bevordering van een geordend rechtsverkeer en ter vermijding van de noodzaak en kosten, ook in kleine boedels, van een verklaring van beneficiaire aanvaarding en inschrijving daarvan, is in de tweede zin van lid 1 bepaald dat de termijn (…) van rechtswege aanvangt, zodat ingevolge lid 2 de nalatenschap na ongebruikt verloop van de termijn als beneficiair aanvaard geldt” (Parl. Gesch. Boek 4 (Inv.), p. 2196).

De strekking van artikel 4:193 BW is dat de rechtspositie van een erfgenaam die een wettelijk vertegenwoordiger heeft niet te lang onzeker mag zijn, dat het risico dat die erfgenaam een negatieve nalatenschap krijgt moet worden vermeden en dat de afwikkeling van de nalatenschap volgens de regels van beneficiaire aanvaarding ook zonder het maken van (al te veel) kosten binnen bereik van die erfgenaam komt.

Die strekking is goed te begrijpen bij een curandus of een minderjarige die niet zelf kan aanvaarden of verwerpen, maar ook bij een rechthebbende over wiens goederen een bewind is ingesteld omdat hij niet in staat is zelf zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk te behartigen.

In dat opzicht lijkt een verschil tussen een curatele en een beschermingsbewind niet gerechtvaardigd.

Gelet op de gangbare betekenis van de bewoordingen van artikel 4:193 BW, op de wets- en rechtsgeschiedenis, op de strekking van de bepaling en op verwante bepalingen in Boek 4 BW lijkt ook de beschermingsbewindvoerder onder de omschrijving van ‘wettelijke vertegenwoordiger’ in artikel 4:193 BW te vallen.

Ook de Handleiding en de Aanbevelingen volgen die lijn.

Gelet op het grote aantal beschermingsbewinden dat is en wordt uitgesproken, is de eenduidige beantwoording van deze rechtsvraag voor de praktijk van – met name – de bewindvoerders en de kantonrechters van groot belang.

Als de bewindvoerder geen wettelijke vertegenwoordiger is in de zin van artikel 4:193 BW heeft dat, zoals hiervoor overwogen, verregaande gevolgen.

Het hof is dan ook voornemens alvorens een eindbeslissing in deze zaak te nemen de Hoge Raad de volgende prejudiciële vraag te stellen:

Behoort de bewindvoerder die is benoemd op grond van artikel 1:431 BW tot de kring van wettelijke vertegenwoordigers als bedoeld in artikel 4:193 BW?

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.