De Rechtbank Limburg heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of overboekingen van de rekening van de erflater onrechtmatig waren.

Eisers zijn de kinderen van de heer A die op 24 maart 2021 is overleden (hierna: erflater).

Vanaf 1995 was er nauwelijks contact tussen eisers en erflater.

Erflater heeft niet bij testament over zijn uiterste wil beschikt.

Eisers gezamenlijk zijn beiden op grond van het wettelijke versterfrecht erfgenaam en gerechtigd tot zijn nalatenschap.

Niet in geschil is dat in de zes maanden vóór het overlijden in totaal € 35.500,00 van de bankrekening van erflater is overgeboekt naar de bankrekening van gedaagde.

Eisers stellen primair dat er sprake is van onverschuldigde betaling omdat iedere rechtsgrond voor deze overboekingen ontbreekt ex artikel 6:203 Burgerlijk Wetboek (BW) en subsidiair stellen zij dat gedaagde ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van de nalatenschap ex artikel 6:212 BW.

In beide gevallen dient zij het bedrag aan de nalatenschap terug te betalen, aldus eisers gezamenlijk.

Gedaagde voert daartegen het volgende aan.

Zij betwist dat er sprake is van onverschuldigde betaling, omdat de rechtsgrond die aan de overschrijvingen ten grondslag ligt primair een geldleningsovereenkomst betreft en subsidiair een overeenkomst “om niet”, en meer subsidiair een natuurlijke verbintenis wegens een dringende morele verplichting.

Er is evenmin sprake van ongerechtvaardigde verrijking, omdat erflater vrijwillig en zonder enige dwang willens en wetens de geldbedragen zelf aan haar heeft overgemaakt.

Voor zover er sprake zou zijn van door erflater gedane schenkingen aan gedaagde, beroepen eisers gezamenlijk zich op vernietiging daarvan ex artikel 7:178 BW.

Gedaagde voert aan dat dit artikel niet op haar van toepassing is, omdat zij niet in hoedanigheid van verpleegkundige als bedoeld artikel 3 van de Wet BIG zorg heeft verleend en artikel 7:178 BW niet van toepassing is op mantelverzorgers.

Erfrecht. Verdeling nalatenschap. Onrechtmatige overboekingen van rekening erflater? Geldlening? Schenking? Natuurlijke verbintenis? Onverschuldigde betaling. Bewijs.

De rechter oordeelt als volgt.

Stelplicht en bewijslast

Artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten daarvan de bewijslast draagt, tenzij uit enige bijzondere regel of de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling voortvloeit.

Conform het bovenstaande rust de stelplicht en bewijslast op eisers gezamenlijk, omdat zij zich beroepen op de rechtsgevolgen van onverschuldigde betaling als ongerechtvaardigde verrijking, namelijk terugbetaling van € 35.500,00.

Dat betekent dat, als gedaagde dit gemotiveerd heeft weersproken, eisers gezamenlijk vervolgens worden toegelaten om hun stellingen te bewijzen indien zij daarvoor voldoende hebben gesteld.

Primaire verweer: geldleningsovereenkomst

Gedaagde voert aan dat de rechtsgrond die aan de overschrijvingen ten grondslag ligt een geldleningsovereenkomst is.

Zij heeft erflater in 2005 leren kennen als een vriend van haar echtgenoot.

Omdat erflater in financiële problemen verkeerde door een gok- en/of alcoholverslaving heeft zij hem destijds € 39.000,00 geleend, welk bedrag zij in contanten aan hem heeft gegeven.

Dit geld had zij beschikbaar, omdat zij recent gescheiden was en de echtelijke woning met overwaarde was verkocht dan wel de caravan, auto en meubels waren verkocht.

De afspraak tot terugbetaling is destijds op een briefje geschreven.

In 2020 heeft erflater een erfenis ontvangen en was hij in staat haar terug te betalen.

Gedaagde heeft het briefje in het bijzijn van erflater verscheurd, omdat het merendeel al was terugbetaald en de rest werd kwijtgescholden.

Omdat gedaagde ervan droomde om een camper te kunnen kopen, heeft erflater in de omschrijving bij de overboeking ‘sparen’ of ‘op spaarrekening zetten’ vermeld.

De betaling van € 4.000,00 op 21 maart 2021 met de omschrijving ‘pinnen voor’ ziet op de terugbetaling van door gedaagde voor erflater voorgeschoten gelden.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft zij echter verklaard dat erflater op het moment van overboeking van het bedrag van € 4.000,00 in het ziekenhuis lag en de wens had om nieuwe meubels voor zijn woning te kopen, maar dat hij kort daarna is overleden.

De nieuwe meubels zijn daarom niet meer gekocht, aldus gedaagde.

De rechtbank is van oordeel dat gedaagde haar verweer dat er sprake is van een geldleningsovereenkomst tussen haar en erflater onvoldoende heeft onderbouwd.

Uit de financiële administratie van erflater tot 2004 blijkt niet van een (terugkerende) aflossing die duidt op het bestaan van een omvangrijke schuld, waarvoor een lening van € 39.000,00 kan dienen.

Dat er noodzaak bestond bij erflater om gelden te moeten lenen, is niet aannemelijk. De rechtbank acht het ongeloofwaardig dat gedaagde aan iemand die zij nog maar kort kent € 39.000,00 uitleent, dat zij dit in contanten ter beschikking stelt en dat zij het briefje met de afspraak tot terugbetaling na een periode van veertien jaar verscheurt en het restant van € 7.500,00 kwijtscheldt.

Indien zij in haar stellingen gevolgd zou worden, heeft de betaling van € 4.000,00 immers niet te gelden als aflossing op de lening maar als terugbetaling van voorgeschoten bedragen of, zo stelde gedaagde ter zitting, bedoeld om nieuwe meubels te kopen voor als erflater zou worden ontslagen uit het ziekenhuis.

Dat strookt echter weer niet met de omschrijving die aan de overboeking is gekoppeld.

Hoewel dat lijkt aan te sluiten bij de stelling van gedaagde dat zij kosten voor erflater heeft voorgeschoten, blijkt uit de bankafschriften van erflater in de maanden voorafgaand aan het overlijden dat er telkens kleine bedragen werden overgemaakt aan gedaagde voor boodschappen en kleine aankopen.

Dat er kort voor zijn overlijden nog € 4.000,00 zou openstaan aan kosten die gedaagde nog zou hebben voorgeschoten, is daarom niet aannemelijk.

De wisselende verklaringen over de herkomst van het geld dat aan erflater zou zijn geleend en waar de (terug)betaling van € 4.000,00 op zou zien, dragen naar het oordeel van de rechtbank niet bij aan de geloofwaardigheid van hetgeen gedaagde aanvoert.

De overschrijvingen met het kenmerk ‘sparen’ of ‘op spaarrekening zetten’ duiden evenmin op een geldleningsovereenkomst.

Dat juist die omschrijving is gekozen omdat aan erflater de wens was geuit dat zij een camper wilde kopen, is indien juist op zichzelf ook onvoldoende om tot de conclusie te kunnen leiden dat deze overboeking ziet op de aflossing van een tussen erflater en gedaagde gesloten geldlening.

De stelling dat erflater pas na het verkrijgen van een erfenis op de lening heeft kunnen aflossen, kan de rechtbank niet volgen omdat de overboeking van € 8.000,00 al is gedaan voordat de erfenis is verkregen en de erfenis beduidend lager is dan het totaal aan overboekingen.

De rechtbank concludeert dat, aangezien uit verder niets blijkt van een geldlening tussen erflater en gedaagde.

Gedaagde de stelling van eisers gezamenlijk dat de gelden onverschuldigd zijn betaald hiermee onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken.

Subsidiaire verweer: schenking

Gedaagde voert aan dat, indien niet komt vast te staan dat er sprake is van een geldleningsovereenkomst, erflater de gelden aan haar heeft geschonken.

De rechtsgrond die aan de overschrijvingen ten grondslag ligt, is de overeenkomst ‘om niet’.

Erflater was tot aan zijn overlijden wilsbekwaam en voerde zelf het beheer over zijn vermogen. Dat deed hij via de bankierapp op de telefoon van gedaagde.

Uit het feit dat de schenkingen niet zijn teruggedraaid terwijl erflater daartoe wel te allen tijde in staat was, blijkt dan ook dat hij de wil had om gedaagde te bevoordelen.

De rechtbank stelt voorop dat het primaire verweer en subsidiaire verweer innerlijk tegenstrijdig zijn.

De essentie van een geldleningsovereenkomst, te weten de verplichting tot terugbetaling van het geleende bedrag, staat in wezen lijnrecht tegenover de kenmerken van een schenkingsovereenkomst of een overeenkomst ‘om niet’.

Het feit dat gedaagde eerst heeft aangevoerd dat er sprake is van een geldleningsovereenkomst doet afbreuk aan haar subsidiaire verweer dat erflater de gelden heeft geschonken.

Tegen die achtergrond overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt vast dat op de bankoverschrijvingsformulieren, die betrekking hebben op de bankrekening van erflater in de periode 2015 – 2017 meerdere, verschillende handschriften zijn te zien.

Hoewel gedaagde ter zitting geen van de handschriften (als haar eigen) herkende, volgt hieruit in elk geval dat erflater niet geheel zelfstandig zijn financiën beheerde.

Zo is er ook op de dag van overlijden, 24 maart 2021, nog € 1.900,00 met als kenmerk ‘Zorg periode 3 terminale fase’ naar de bankrekening van gedaagde overgemaakt.

Dit doet sterk vermoeden dat gedaagde toegang had tot de bankrekening van erflater.

Ter zitting hebben eisers gezamenlijk verklaard dat zij slechts de bankafschriften in de administratie van erflater hebben aangetroffen tot en met 24 juni 2004, terwijl er na het overlijden structureel bankafschriften van de bankrekening van erflater via de post werden ontvangen en dat de administratie in de periode dat gedaagde zorg en bijstand heeft verleend, ontbreekt.

Zij hebben ook verklaard dat erflater papieren bankafschriften ontving omdat hij bij gebrek aan een laptop, smartphone of wifi niet kon internetbankieren.

Daartegen heeft gedaagde ter zitting aangevoerd dat erflater wel degelijk kon internetbankieren en wel via de bankierapp op haar smartphone.

Nog los van het feit dat elke onderbouwing van die stelling ontbreekt, volgt daaruit niet dat erflater zijn eigen financiën beheerde en de wil had een aanzienlijk deel van zijn vermogen aan haar te schenken.

Naar het oordeel van de rechtbank roept deze constructie bovendien vragen op omdat daarmee de belangen van erflater en de veiligheid onvoldoende worden gewaarborgd.

Een en ander draagt ook bij aan het vermoeden dat niet erflater maar gedaagde, zo ook na het overlijden, betalingen vanaf de bankrekening van erflater heeft kunnen uitvoeren.

Daar komt nog bij dat erflater niets schriftelijk of notarieel heeft vastgelegd met betrekking tot het doen van schenkingen, zelfs niet in een testament waarbij hij (ook) de mogelijkheid had om zijn kinderen te onterven en al dan niet in de vorm van een legaat (een deel van) zijn erfenis aan gedaagde te schenken.

Nu dit alles ontbreekt en gedaagde ook geen aangifte heeft gedaan bij de Belastingdienst, blijkt uit niets dat er sprake is van een door erflater gedane schenking van € 35.500,00.

De rechtbank is van oordeel dat gedaagde hiermee de stelling van eisers gezamenlijk dat er onverschuldigd is betaald, onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken.

Aangezien het verweer van gedaagde dat sprake is van een schenking niet slaagt, wordt aan het beroep op vernietiging daarvan op grond van artikel 7:178 BW en het verweer daartegen van gedaagde niet toegekomen.

Meer subsidiair: natuurlijke verbintenis wegens dringende morele verplichting

Gedaagde voert aan dat er een natuurlijke verbintenis bestaat wegens een dringende morele verplichting, omdat erflater geen contact meer had met zijn kinderen en gedaagde sinds 2005 de zorg voor hem op zich had genomen.

Ingevolge artikel 6:3 tweede lid onder b BW bestaat een natuurlijke verbintenis wanneer iemand jegens een ander een dringende morele verplichting heeft van zodanige aard dat naleving daarvan, ofschoon rechtens niet afdwingbaar, naar maatschappelijke opvattingen als voldoening van een aan die ander toekomende prestatie moet worden aangemerkt.

De vraag of sprake is van een natuurlijke verbintenis dient naar objectieve maatstaven te worden beoordeeld.

Aan het subjectieve inzicht van degene die de prestatie heeft verricht, komt geen beslissende betekenis toe.

De omstandigheid dat gedaagde sinds 2005 bevriend was met erflater en als mantelverzorgster heeft opgetreden, kan naar het oordeel van de rechtbank niet als een objectieve aanwijzing voor het bestaan van een natuurlijke verbintenis worden beschouwd.

Reden is dat gedaagde uit pgb-gelden van erflater werd betaald, zodat daaruit geen dringende morele verplichting kan voortvloeien om een aanzienlijk deel van zijn vermogen aan haar te schenken.

Dat erflater geen contact had met zijn kinderen, maakt dat oordeel niet anders omdat een testament waarin zij zijn onterfd en gedaagde een legaat toekomt, ontbreekt.

Dat leidt ertoe dat ook dit verweer faalt.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.