De Rechtbank Rotterdam heeft onlangs uitspraak gedaan over de waardebepaling van een woning bij de verdeling van een nalatenschap.

De vordering van eiser strekt tot veroordeling van gedaagde, in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van de erflaatster, tot uitbetaling van het legaat ter grootte van eiser vaderlijk erfdeel.

Partijen zijn het erover eens dat dit legaat een schuld is in de nalatenschap van erflaatster en door haar overlijden opeisbaar is geworden, maar zij verschillen van mening over de vraag welke waarde het legaat had.

Erfrecht. Verdeling van een nalatenschap. Waardebepaling van een woning. Reële waarde. Taxatie. Marktwaarde. Waardestijging. Hypothecaire schuld. Aflossingen. Stelplicht. Wettelijke rente.

De rechter oordeelt als volgt.

Tot de huwelijksgoederengemeenschap van erflater en erflaatster behoorde, naar tussen partijen niet in geschil is, de woning gelegen te A (hierna: de woning).

De rechtbank is van oordeel dat eiser voldoende heeft onderbouwd dat de marktwaarde van deze woning op 22 mei 1994, de overlijdensdatum van erflater, ƒ 500.000,- was.

Een volgens beide partijen vergelijkbare woning gelegen te A, overigens de woning van de ouders van gedaagde, is namelijk in december 1993 verkocht voor een bedrag van ƒ 488.000,-, terwijl eiser stelling dat de huizenprijzen in die tijd stegen door gedaagde niet is betwist.

Gedaagde heeft betoogd dat uitgegaan moet worden van een taxatierapport van 2 april 1987 waarin de woning voor een bedrag van ƒ 183.000,- is getaxeerd, maar dit taxatierapport is zeven jaar voor het overlijden van erflater opgemaakt en betreft bovendien de waarde van de woning in bewoonde staat, zodat het onvoldoende gewicht in de schaal legt tegenover de daadwerkelijk gerealiseerde opbrengst van die woning minder dan een half jaar voor de datum in geding.

Nu gedaagde ook anderszins geen lagere dan de door eiser beargumenteerde waarde van de woning heeft onderbouwd, is de rechtbank van oordeel dat van een waarde van de woning op 22 mei 1994 van ƒ 500.000,- moet worden uitgegaan.

Aan de woning waren blijkens door eiser overgelegde stukken twee hypothecaire geldleningen verbonden, namelijk een eerste hypothecaire geldlening van ƒ 115.000,- die is afgesloten in april 1977 en een tweede hypothecaire geldlening die is afgesloten in december 1988, voor een bedrag van ƒ 70.000,-.

Uit het borderel van inschrijving van de tweede hypothecaire geldlening volgt dat op 30 december 1988 de eerste hypothecaire geldlening pro resto ƒ 101.076,- bedroeg.

Gelet hierop staat, anders dan gedaagde heeft betoogd, voldoende vast dat de totale hypothecaire schuld op 30 december 1988 nog ƒ 171.076,- bedroeg.

Eiser heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat in de periode tussen 1977 en 1988 gemiddeld jaarlijks een bedrag van ƒ 1.265,- is afgelost op de eerste hypothecaire geldlening en dat het, uitgaande daarvan en omgerekend naar twee hypotheken, aannemelijk is dat in de jaren daarna jaarlijks een bedrag van ƒ 2.065,- is afgelost op de twee hypothecaire geldleningen samen, in totaal ƒ 12.390,-.

Gedaagde betwist dit echter, omdat van die veronderstelde aflossingen niets is gebleken.

De rechtbank is van oordeel dat, het gelet op de betwisting, op de weg van eiser had gelegen om de door hem gestelde aflossingen nader te onderbouwen.

Dat heeft hij echter niet gedaan.

Uit de kennelijke eerdere aflossingen op de eerste hypotheek volgt niet dat deze ook moesten worden gedaan, noch dat zij in dezelfde omvang zijn doorgegaan en evenmin dat op de tweede hypotheek in dezelfde mate is afgelost.

Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij de door hem gestelde aflossingen niet op een andere wijze kan onderbouwen.

Hij heeft daarom naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat er na 30 december 1988 is afgelost op de hypothecaire geldleningen, zodat ervan moet worden uitgegaan dat op 22 mei 1994 nog een hypotheekschuld bestond van ƒ 171.076,-.

Gelet op wat hiervoor is overwogen was de woning toen erflater overleed (ƒ 500.000,- -/- ƒ 171.076,- =) ƒ 328.924,- waard.

Omdat de woning in de huwelijksgoederengemeenschap viel, viel de helft in de nalatenschap van erflater.

Dit is een bedrag van ƒ 164.462,-.

De rechtbank begrijpt uit de standpunten die partijen hebben ingenomen dat zij het erover eens zijn dat niet meer kan worden vastgesteld wat er verder eventueel tot de nalatenschap van erflater behoorde.

Daarom moet ervan worden uitgegaan dat de nalatenschap van erflater ƒ 164.462,- bedroeg.

Dat gedaagde, naar hij stelt, ondanks naspeuringen bij instanties geen informatie over de nalatenschap van erflater heeft kunnen achterhalen doet aan deze wel achterhaalde vermogensbestanddelen niet af.

Dit betekent dat het legaat van eiser ƒ 41.115,50 (1/4e deel van ƒ 164.462,-) bedraagt, zijnde € 18.657,40.

Gedaagde zal daarom veroordeeld worden om een bedrag van € 18.657,40 aan eiser te betalen.

Dit bedrag moet, naar eiser onweersproken heeft betoogd, op grond van het testament van erflater nog worden vermeerderd met de enkelvoudig berekende wettelijke rente vanaf de dag van overlijden van erflater tot aan de dag van volledige betaling, zodat gedaagde ook daartoe veroordeeld zal worden.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.