De Rechtbank Gelderland heeft enige tijd uitspraak gedaan over de vraag of een aandeel in een nalatenschap verbeurd was vanwege de verzwijging van contante gelden uit de nalatenschap en over de vraag of rekening en verantwoording diende te worden afgelegd over het gebruik van een volmacht tot het pinnen van gelden van de erflaatster.
Erflaatster heeft bij testament van 2 maart 1990 voor het laatst over haar nalatenschap beschikt.
De kinderen zijn ieder voor een/vierde gedeelte erfgenaam.
Eisende partij stelt dat de contante gelden ten bedrage van € 29.000,00 tussen gedaagden zijn verdeeld, waarvan één der gedaagde pas haar nadien op de hoogte heeft gesteld.
De overige gedaagden betwisten dat erflaatster een bedrag van € 29.000,00 aan contanten in huis had en dat dit bedrag is verdeeld.
Erfrecht. Verzwijging van contante gelden uit nalatenschap. Verbeurdverklaring? Met pinpas opgenomen gelden. Volmacht. Afleggen rekening en verantwoording? Bewijslast. Toetsingskader.
De rechter oordeelt als volgt.
De contante gelden
Vooropgesteld wordt dat de bewijslast en het bewijsrisico van de stelling dat de contante gelden tussen gedaagden zijn verdeeld, op de eisende partij rust.
De eisende partij beroept zich immers op de rechtsgevolgen van deze verdeling.
De rechtbank is van oordeel dat moet worden uitgegaan van de juistheid van de stelling van de eisende partij.
Het volgende is hiervoor redengevend.
De eisende partij heeft een schriftelijke verklaring van gedaagde ten grondslag gelegd aan haar stelling.
Gedaagde zijn verklaring is tegenstrijdig aan hetgeen overige gedaagden ter zitting hebben verklaard.
De rechtbank stelt vast dat gedaagde geen belang heeft bij het afleggen van een verklaring in het voordeel van de eisende partij, nu zij door deze verklaring het risico loopt € 2.417,00 mis te lopen (het verschil tussen een derde en een vierde deel van € 29.000,00).
Daarnaast heeft gedaagde ook het risico gelopen dat eisende partij zich ook ten aanzien van haar op een verbeurdverklaring zou beroepen.
Gedaagden hebben daarentegen wel belang bij het afleggen van een verklaring in het nadeel van de eisende partij.
Daarbij komt dat de raadsman van eisende partij ter zitting heeft aangevoerd dat het inkomen en vermogen van gedaagde zeer gering is, zodat zij het bedrag van € 9.600,00 dat zij aan eisende partij heeft afgegeven (na de sommatie van eisende partij) enkel uit de nalatenschap heeft kunnen ontvangen.
Dit is door gedaagden niet betwist.
Bovendien hecht de rechtbank aan de verklaring van gedaagde omdat deze niet slechts algemeenheden bevat en daarom geloofwaardig is.
Zij heeft ter zitting nader verklaard dat de contante gelden met paperclips bij elkaar werden gehouden en dat de gelden niet gelijkelijk over drie personen verdeeld konden worden, zodat gedaagde een bedrag van € 9.600,00 heeft gekregen en overige gedaagden een bedrag van € 9.700,00.
De andersluidende verklaringen van gedaagden ter zitting leggen tegenover de verklaring van gedaagde onvoldoende gewicht in de schaal, waarbij de rechtbank mede in aanmerking neemt dat zij geen reden hebben gegeven waarom gedaagde deze schriftelijke verklaring heeft opgesteld wanneer deze onjuistheden zou bevatten.
Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank ervan uit dat de contante gelden behoren tot de nalatenschap van erflaatster.
De eisende partij heeft ten aanzien van gedaagden gevorderd dat zij hun aandeel in deze contanten verbeuren op grond van 3:194 lid 2 BW.
Voor een geslaagd beroep op dit artikel is, onder meer, noodzakelijk dat de verzwijger wist dat de goederen tot de nalatenschap behoorden.
In dit geval werden de contanten aangetroffen in de woning van erflaatster, geteld en verdeeld tussen de aanwezige erfgenamen.
Hiermee staat vast dat gedaagden wisten dat de contanten onderdeel vormden van de nalatenschap en dat zij de contanten hebben verzwegen.
Dit staat echter niet alleen ten aanzien van gedaagden vast maar ook ten aanzien van gedaagde partij.
Zij heeft deelgenomen aan de verdeling en hoewel zij – conform haar eigen verklaring – heeft geprotesteerd heeft zij de gelden wél aangenomen en pas enige tijd later opgaaf gedaan van deze gelden aan eisende partij.
Op grond van vaste rechtspraak (HR:2017:565) geldt dat ieder verzwijgen, zoek maken of verborgen houden leidt tot de toepasselijkheid van de sanctie van verbeuring op grond van 3:194 lid 2 BW.
Kort en goed: eens verzwegen, blijft verzwegen.
Ook indien dit plaatsvindt vóór de verdeling of zelfs voordat een boedelbeschrijving is opgesteld.
In geval van verzwijging biedt de wet geen mogelijkheid voor inkeer of herstel door de verzwijger.
Een dergelijke mogelijkheid zou immers het wezenskenmerk van deze sanctiebepaling raken.
Dit neemt niet weg dat onder bijzondere, door de partij die haar aandeel verbeurd te stellen en zo nodig te bewijzen omstandigheden een beroep op 3:194 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn.
Daarop is in deze zaak evenwel geen beroep gedaan.
Eén en ander brengt met zich dat gedaagden hun aandeel in de contanten verbeuren en deze aan eisende partij toekomen.
Dit geldt ook ten aanzien van gedaagde partij maar eisende partij heeft de vordering jegens gedaagde partij ingetrokken, zodat de rechtbank ten aanzien van gedaagde partij geen verklaring voor recht zal uitspreken.
De vordering van eisende partij zal worden toegewezen.
Voor de gevorderde dwangsom is geen aanleiding nu niet is gebleken dat gedaagden niet aan de veroordeling zullen voldoen.
De gepinde gelden
De eisende partij stelt dat gedaagde partij in de jaren 2012 tot december 2018 pinopnamen met een totaal van € 170.000,00 vanaf de bankrekening van erflaatster heeft gedaan en dat deze gelden erflaatster niet ten goede zijn gekomen.
Gedaagde partij heeft zich bij deze stelling aangesloten.
De overige gedaagden stellen dat er inderdaad gelden zijn gepind voor erflaatster door gedaagde partij en voornamelijk door de echtgenote van gedaagde partij maar dat alle gepinde gelden zijn afgedragen aan erflaatster.
De eisende partij stelt dat deze stelling een bevrijdend verweer is waarvan gedaagde de bewijslast heeft, en subsidiair heeft hij de bewijslast op grond van de redelijkheid en billijkheid.
Ook ligt de bewijslast bij gedaagde omdat hij als beweerdelijk volmachtgever, lasthebber of opdrachtnemer inzake de pinopnames verplicht is daarover rekening en verantwoording af te leggen, aldus de advocaat van eisende partij.
Volmacht
De advocaat van gedaagden heeft ter zitting aangevoerd dat gedaagde een pinpas van erflaatster heeft meegekregen met de vraag of hij of zijn echtgenote voor haar wilde pinnen, zodat sprake is van een volmacht.
Dit is niet betwist.
Het verstrekken van een pinpas met een pincode aan een ander wordt in het algemeen gedaan met de bedoeling dat die ander daarvan namens de pashouder gebruik maakt.
De rechtbank merkt het onder zich hebben van de pinpas en het kennis hebben van de daarbij behorende pincode aan als een volmacht van erflaatster aan gedaagde om over haar ING-betaalrekening te beschikken.
Rekening en verantwoording
Begrijpt de rechtbank de stellingen van eisende partij ter zitting goed, dan stelt zij namens de nalatenschap dat gedaagde jegens de nalatenschap gehouden is tot het doen van rekening en verantwoording.
Voor het antwoord op de vraag of gedaagde partij tegenover erflaatster verplicht was tot het doen van rekening en verantwoording is van belang of tussen hem en erflaatster een rechtsverhouding heeft bestaan krachtens welke hij jegens erflaatster verplicht was om zich omtrent de behoorlijkheid van zijn vermogensrechtelijke beleid te verantwoorden.
Een zodanige verhouding kan voortvloeien uit de wet, een rechtshandeling of het ongeschreven recht.
De rechtsverhouding tussen erflaatster en gedaagde partij kenmerkte zich door de door erflaatster aan gedaagde verleende volmacht om ten laste van de ING-betaalrekening geld op te nemen.
De enkele omstandigheid dat een volmacht is verleend, brengt niet met zich dat de gevolmachtigde rekening en verantwoording moet afleggen aan de volmachtgever of diens rechtsopvolgers.
Of het doen van rekening en verantwoording verplicht is, is volgens vaste rechtspraak afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals de aanleiding voor de volmacht, de verhouding tussen de volmachtgever en de gevolmachtigde, het gebruik in een familierelatie als de onderhavige, de mate waarin de volmachtgever zelfstandig kon handelen, de mate waarin de volmachtgever de handelingen van de gevolmachtigde kon overzien en voor zijn belangen kon opkomen en de aard en inhoud van de handelingen van de gevolmachtigde (Gerechtshof Amsterdam van 11 april 2017, GHAMS:2017:1272).
In de onderhavige zaak acht de rechtbank van belang dat tussen erflaatster en gedaagde sprake was van een familie- en vertrouwensrelatie van moeder tot zoon en dat in dergelijke relaties een volmacht als de onderhavige gebruikelijk is.
In het kader van de mate waarin erflaatster de handelingen van gedaagde kon overzien en voor haar belangen kon opkomen is van belang dat partijen het eens zijn over de mentale toestand van erflaatster.
Zij was tot op het laatste moment compos mentis.
Daarmee staat vast dat erflaatster ten tijde van het verlenen van de volmacht en bij de uitoefening van de volmacht in staat was om haar wil te bepalen, zodat zij de handelingen van gedaagde heeft kunnen overzien en voor haar belangen heeft kunnen opkomen.
Dat gedaagde het beheer over het vermogen van erflaatster heeft gevoerd is niet gesteld of gebleken.
Gedaagden hebben aangevoerd dat de bankafschriften door erflaatster zelf werden ontvangen en dat erflaatster in het bijzijn van gedaagde de afschriften controleerde.
Ook dit is niet betwist.
Niet gesteld of gebleken is dat erflaatster op enig moment gedaagde heeft verzocht rekening en/of verantwoording af te leggen.
Ten aanzien van de aard en omvang van de pinopnamen zijn de volgende stellingen van partijen van belang.
De eisende partij stelt dat erflaatster, voor zover haar bekend, sober heeft geleefd en dat zij er fysiek slecht aan toe was.
Een uitgavenpatroon van tuinduizenden euro’s aan pinopnames in een jaar is geen gebruikelijk uitgavenpatroon voor een vrouw van haar leeftijd en haar toestand.
Ook is een groot gedeelte van de geldopnames gedaan in de omgeving van de woning van gedaagde.
De overige gedaagden hebben aangevoerd dat erflaatster familieleden regelmatig geld heeft geschonken en dat zij verschillende motorvoertuigen voor rolstoelvervoer zelf heeft bekostigd.
De gedaagde partij heeft ter zitting aangevoerd dat boodschappen, kleding en schoeisel contant werden betaald en dat veel contanten naar materialen voor het opknappen van de woning en de tuin zijn gegaan.
De eisende partij heeft betwist dat erflaatster de gelden na afgifte heeft geschonken aan familieleden dan wel heeft besteed aan motorvoertuigen en het opknappen van haar woning en tuin.
De rechtbank stelt voorop dat het in familierelaties als de onderhavige, waarbij de volmachtgeefster aan de gevolmachtigde het vertrouwen heeft gegeven om te beschikken over haar bankpas, past om enige terughoudendheid aan te nemen in het vaststellen van een verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording door de gevolmachtigde.
Deze terughoudendheid vindt evenwel een grens bij financiële handelingen die gedaagde partij ten behoeve van zichzelf heeft verricht en financiële handelingen die wat aard en/of omvang betreft niet gerekend kunnen worden tot het normale uitgavenpatroon van erflaatster.
De rechtbank is van oordeel dat er geen duidelijke aanwijzingen zijn voor zulke financiële handelingen.
Nu vaststaat dat erflaatster ten tijde van de verlening van de volmacht en bij de uitoefening van de volmacht in staat was om haar wil te bepalen, en zij bij leven geen aanleiding heeft gezien om de gedaagde partij ter verantwoording te roepen omtrent de wijze waarop hij met de volmacht is omgegaan, wordt aangenomen dat de door gedaagde partij gedane geldopnames met instemming van erflaatster zijn gedaan.
De stelling van eisende partij dat de gelden gedaagde ten goede zijn gekomen en niet erflaatster, is onvoldoende gemotiveerd.
Daar komt bij dat eisende partij niet heeft toegelicht hoe haar stelling zich verhoudt tot de onbetwiste stelling van de overige gedaagden dat erflaatster de bankafschriften in bijzijn van gedaagde partij controleerde.
Een en ander leidt tot het oordeel dat gedaagde partij geen rekening en verantwoording is verschuldigd aan de mede-erfgenamen van erflaatster.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.