Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 16 maart 2021 uitspraak gedaan over de vraag of wegens verzwijging van een banktegoed het aandeel in een nalatenschap was verbeurd.
Op 5 juli 2012 is erflater overleden.
Hij heeft als zijn erfgenamen bij versterf achtergelaten zijn broer (D) (1/3e), zijn zus E (1/3e) en drie neven en een nicht (ieder 1/12e)).
Erflater heeft op 6 juni 2012 een bancaire volmacht gegeven aan zijn broer en zijn zus.
Erflater heeft aan zijn broer ook een algehele volmacht gegeven.
De zus van erflater heeft op € 57.900 in contanten aan de vereffenaars gegeven. Deze hebben dat bedrag op de ervenrekening gestort.
Erfrecht. Volmacht tot beheer van gelden. Misbruik van volmacht? Opzettelijk verzwijgen van een banktegoed. Verbeuren van aandeel in een nalatenschap.
De rechter oordeelt als volgt.
De nicht en de neven hebben de rechtbank gevraagd voor recht te verklaren dat verzoekster en E hun aandeel in een banktegoed van € 385.437 dat erflater op het moment van zijn overlijden had bij de bank op grond van artikel 3:194 lid 2 BW hebben verbeurd en dat dit banktegoed alleen aan de nicht en de neven toekomt.
Verzoekster zegt dat zij niet betrokken is geweest bij het beheer over of het ophalen van de gelden van erflater in G.
Volgens haar zijn de verklaringen van E over haar betrokkenheid niet juist.
Of dat klopt kan volgens het hof in het midden blijven.
Het gaat erom dat de broer van erflater als deelgenoot in diens nalatenschap opzettelijk heeft verzwegen dat het banktegoed tot diens nalatenschap behoorde.
Dat is het geval.
Verzoekster bestrijdt niet duidelijk wat de nicht en de neven daarover zeggen. Ze ontkent alleen dat zij daar zelf een rol in heeft gehad.
De rechtbank heeft eerder geoordeeld:
Geen van drieën heeft melding gemaakt van die geldbedragen aan mr H, de boedelnotaris hetgeen ook blijkt uit diens brief van 17 september 2012: “banksaldo van ongeveer € 50.000 tot € 60 000,-“ Ook uit het voorstel dat D en E aan de andere erfgenamen hebben gedaan in april 2013 blijkt dat de hier aan de orde zijnde “gelden uit Duitsland” werden verzwegen. In dat voorstel werd immers uitgegaan van spaargelden tot een bedrag van slechts € 84.653,-. Eisers zijn op dat voorstel niet ingegaan en hebben bij herhaling verzocht om meer informatie over de omvang van de boedel.”
Het hof is het met dat oordeel eens.
Notaris H heeft opdracht van de broer en zus van erflater gehad om een verklaring van erfrecht op te stellen.
Zij heeft op 17 september 2012 een uitgebreide brief aan de nicht en de neven gestuurd.
Zij schrijft dat de broer van erflater graag de nalatenschap van erflater zou willen afwikkelen namens de erfgenamen en daarvoor graag een volmacht van hen zou krijgen.
Namens de broer en zus van erflater laat notaris H de nicht en de neven het volgende weten: “Uw oom en tante hebben mij te kennen gegeven dat de nalatenschap een positief saldo kent. Tot de nalatenschap behoort volgens uw oom het huis en een banksaldo van ongeveer €50.000,= tot €60.000,=.
Vervolgens schrijft mr. A op 9 april 2013 namens de broer en de zus van erflater een brief aan de nicht en de neven en doet namens de broer en de zus een voorstel tot afwikkeling.
Hij schrijft: “Op 5 juli 2012 is (uw oom) overleden. Tot de nalatenschap behoort zijn woning te A. Voorts waren er nog spaargelden tot een bedrag van € 84.653,00 en overige bezittingen voor een bedrag van € 1.615,00. De kosten van de uitvaart bedroegen € 6.145,00.”
Toen de broer van erflater de opgave aan de notaris deed en toen hij het voorstel aan de nicht en de neven deed had hij moeten spreken over de ‘gelden in Duitsland’.
Hij heeft op dat moment ervoor gekozen te zwijgen.
Hij heeft op dat moment ook niet kenbaar gemaakt dat erflater deze rekening had en welke opnames daarvan waren gedaan.
Door in de wetenschap dat de “gelden in Duitsland” tot de nalatenschap behoorden te zwijgen toen spreken geboden was heeft hij zijn aandeel in deze ‘gelden in Duitsland” al op 17 september 2012, maar in elk geval in april 2013 verbeurd.
Gedragingen van verzoekster voor en na zijn overlijden kunnen dat niet anders maken.
De grieven falen.
Verzoekster is de enige erfgename van haar echtgenoot.
Doordat deze zijn aandeel in het goed heeft verbeurd behoort dit goed niet langer tot de nalatenschap van erflater, maar behoort het toe aan de nicht en de neven samen.
Ook E heeft immers haar aandeel in dat goed verbeurd behoort het aandeel in dat goed ook niet tot de nalatenschap van de echtgenoot van verzoekster.
Verzoekster heeft als erfgename dan ook geen aandeel in dat goed verkregen.
Zij kan dan ook zelf niets meer verbeuren; dat heeft haar echtgenoot al bij leven gedaan.
Of verzoekster zoals de rechtbank het zegt ‘belast’ is met het bij haar echtgenoot aanwezige opzet is een manier van zeggen.
De rechtbank bedoelt kennelijk dat verzoekster de gevolgen ervan ondervindt dat haar echtgenoot het goed opzettelijk heeft verzwegen.
Dat heeft immers tot gevolg dat zij zijn aandeel in dat goed niet in zijn nalatenschap aantreft.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het opzettelijk verzwijgen van goederen of gelden uit een nalatenschap, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.