De Rechtbank Overijssel heeft op 16 augustus 2022 uitspraak gedaan over de vaststelling en waardering van het erfdeel bij wettelijke verdeling door de rechter.
Artikel 4:15 lid 1 BW in samenhang met artikel 4:13 lid 3 BW.
De vader van verzoeker en verweerder en de echtgenoot van verweerster is in 2019 overleden.
Verweerders hebben een boedelbeschrijving opgemaakt en hebben op grond daarvan de verkrijgingsvorderingen van de beide zoons van erflater vastgesteld.
Verzoeker is het niet eens met die vaststelling.
Hij wil daarom dat de kantonrechter de omvang van zijn verkrijgingsvordering uit de nalatenschap van zijn vader zal vaststellen of dat er een boedelnotaris wordt benoemd om dat te doen.
Verweerders hebben bij wijze van tegenverzoek gevraagd om de verkrijgingsvordering vast te stellen op het bedrag dat volgt uit de door hen geproduceerde boedelbeschrijving.
De kantonrechter zal in deze beschikking zelf tot vaststelling van de verkrijgingsvorderingen van de beide zoons van erflater overgaan.
Erfrecht. Wettelijke verdeling. Vaststelling van het erfdeel door de rechter. Waardebepaling. Waardering van pensioen. Marktwaarde? Boedelbeschrijving. Successiewet. Deskundige.
De rechter oordeelt als volgt.
Op de mondelinge behandeling van het verzoek is gebleken dat de vraag die partijen verdeeld houdt vooral betrekking heeft op de waardering van de pensioenvoorziening van verweerder die is opgenomen in de boedelbeschrijving.
Volgens die boedelbeschrijving bestaat die voorziening uit een som van € 506.271.
Deze voorziening maakt dat het saldo van het eigen vermogen van de B.V. op de boedelbeschrijving uitkomt op een bedrag van € 391.081.
Verzoeker meent dat het saldo van de B.V. hoger uitvalt omdat de pensioenvoorziening voor een lager bedrag, namelijk € 264.850, moet worden opgenomen.
Het verschil in waardering heeft te maken met de vraag of de commerciële waarde van de pensioenvoorziening moet worden gehanteerd of dat de fiscale waarde moet worden gehanteerd in deze boedelbeschrijving.
Op de mondelinge behandeling is daarom afgesproken dat partijen gezamenlijk een deskundige zouden benaderen om de vraag van partijen te beantwoorden.
Dat is gebeurd.
Partijen hebben in een emailbericht van 19 april 2022 aan drs. C de vraag voorgelegd: Is de waardering van een pensioen in eigen beheer bij de vaststelling van de omvang van de nalatenschap gebaseerd op fiscale of commerciële grondslagen?
In zijn antwoord van 22 april 2022 schrijft drs. C (onder meer): Volgens artikel 21 successiewet 1956 is de grondslag voor de waarde bepaling de waarde in het economische verkeer en voor het pensioen in eigen beheer is dat dus de commerciële waarde.
Verzoeker heeft daarna nog om een verduidelijking gevraagd aan drs. C :
1. In de “te verdelen erfenis” dient de post ‘Pensioenvoorziening’ te worden opgenomen voor de fiscale waarde (€ 264.850,-). Is dit juist?
2. Indien het antwoord op vraag 1 “ja” luidt klopt het dan dat het totaal (eigen) vermogen van de besloten vennootschap [A] B.V. stijgt met € 241.421,-. Dit is het verschil tussen de commerciële- en de fiscale waarde.
Het antwoord daarop van drs. C luidt: Het antwoord op vraag 1 is nee, dit is niet juist. Vraag 2 behoeft dan geen beantwoording.
Na beantwoording van de vragen door de deskundige hebben verweerders de conclusie getrokken dat op de boedelbeschrijving de juiste cijfers zijn gehanteerd.
Zij hebben hun eerdere verzoek om de verkrijgingsvordering vast te stellen op € 137.310,66 gehandhaafd.
Verzoeker heeft echter ondanks het bericht van de deskundige gevraagd om zijn verkrijgingsvordering vast te stellen op € 177.547,50.
Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de commerciële waarde moet worden gehanteerd als grondslag ten behoeve van de aangifte erfbelasting, maar dat dit niet betekent dat dit ook geldt voor de (civielrechtelijke) vaststelling van zijn verkrijgingsvordering.
Volgens verzoeker heeft de deskundige daarover onduidelijkheid laten bestaan doordat de deskundige bij de beantwoording van de vraag van partijen in zijn toelichting schrijft: De fiscale grondslag is van belang voor de bepaling van het fiscaal belastbare bedrag inzake de vennootschapsbelasting. Tevens is dit bedrag van belang voor het bepalen van een eventuele fictieve verkrijging conform de Successiewet.
Uit de akte van verzoeker begrijpt de kantonrechter dat verzoeker zijn standpunt baseert op de zojuist hiervoor geciteerde zin uit het bericht van de deskundige waar het gaat om een eventuele fictieve verkrijging conform de Successiewet.
Verzoeker heeft echter niet nader toegelicht op basis van welke bepaling hij meent te moeten uitgaan van de fiscale grondslag bij de vaststelling van de pensioenaanspraak die is opgenomen in de boedelbeschrijving bij het verweerschrift.
Het voorgaande leidt ertoe dat de kantonrechter het standpunt van verzoeker niet volgt.
De kantonrechter betrekt in dit oordeel dat in artikel 21 lid 1 Successiewet 1956 als uitgangspunt is bepaald: Het verkregene wordt in aanmerking genomen naar de waarde welke daaraan op het tijdstip van de verkrijging in het economische verkeer kan worden toegekend.
Verder is voor het oordeel in deze zaak van belang dat partijen gezamenlijk een deskundige hebben benaderd voor de beantwoording van hun vraag over de waardering van de pensioenaanspraak.
De deskundige heeft daarop – tot tweemaal toe – een duidelijk antwoord gegeven, namelijk dat voor deze aanspraak de commerciële waarde moet worden gehanteerd.
Concrete feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel moeten leiden zijn door verzoeker niet aangevoerd.
De waarde van de pensioenvoorziening zoals opgenomen in de boedelbeschrijving uit productie 1 bij het verweerschrift betreft de commerciële waarde.
Er bestaat daarom geen aanleiding voor een aanpassing van de boedelbeschrijving op dat punt. Voor het overige is onvoldoende gesteld of gebleken dat de boedelbeschrijving onjuistheden zou bevatten.
Dat betekent dat de verkrijgingsvordering van verzoeker uit de nalatenschap van zijn vader moet worden vastgesteld op € 137.310,66 en dat het verzoek van verzoeker tot benoeming van een boedelnotaris moet worden afgewezen.
Dit laatste houdt tegelijk in dat het verzoek van verweerders wordt toegewezen.
De verkrijgingsvorderingen van verzoeker en verweerder zullen, als bedoeld in artikel 4:15 lid 1 BW in samenhang met artikel 4:13 lid 3 BW, worden vastgesteld op een bedrag van € 137.310,66 voor ieder van hen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.