Van onze advocaat verdeling erfenis. De Rechtbank Gelderland heeft op 4 januari 2017 uitspraak gedaan over diverse gestelde onrechtmatigheden die begaan zouden zijn tijdens de afwikkeling en verdeling van een erfenis.
Rechtsmacht
Omdat eisers niet in Nederland hun gewone woon- of verblijfplaats hebben dient allereerst te worden nagegaan welk recht van toepassing is en welke rechter bevoegd is.
In zijn testament heeft vader voor de vererving en, voor zover mogelijk, de afwikkeling van zijn nalatenschap gekozen voor de toepassing van het Nederlands recht, zodat de vorderingen van eisers naar Nederlands recht dienen te worden beoordeeld. Bevoegd is de rechter van de rechtbank Gelderland.
Bedrog of misbruik van omstandigheden?
Uit de brieven van 29 september 2011 blijkt dat in de brieven van 29 september 2011 de vernietiging van onder meer de geldleningen op grond van misbruik van omstandigheden is ingeroepen op de grond dat vader 99 jaar oud, blind, doof en verward was en hij niet zelfstandig tot de gewraakte rechtshandelingen kon zijn gekomen. Met de brieven van 12 juli 2013 is jegens gedaagden ook de vernietiging van de geldleningen op grond van bedrog ingeroepen. Als reden daarvoor wordt naast de hoge leeftijd van vader en zijn slechte gestel aangevoerd dat vader nimmer zelfstandig met notaris Smit had gecommuniceerd.
Vast staat dat vader ten tijde van het aangaan van de geldleningen goed in staat was zijn wil te bepalen, terwijl uit de arresten van zowel het hof Amsterdam als Arnhem-Leeuwarden blijkt dat de notaris twee maal een gesprek met vader heeft gehad over onder meer de geldleningen. Dat daarbij ook gedaagden aanwezig waren, is onvoldoende om te concluderen dat vader niet zelfstandig met de notaris heeft gecommuniceerd en dat hij door gedaagden is misleid bij het aangaan van de geldleningen.
Dit alles leidt tot verwerping van de stelling dat bij het aangaan van de geldleningen sprake is geweest van bedrog of misbruik van omstandigheden. De door eisers op de voet van de artikelen 3:44 en 3:50 BW jegens gedaagden uitgebrachte vernietigingsverklaringen treffen dan ook geen doel.
Testament gemaakt onder onjuiste beweegredenen?
Voor wat betreft het beroep van eisers op onjuiste beweegredenen gaat de rechtbank ervan uit dat de verwijzing naar het tweede lid van artikel 4:44 BW op een vergissing berust en dat bedoeld is het tweede lid van artikel 4:43 BW. Eisers hebben immers niet gesteld dat de inhoud van het testament van vader in strijd is met de openbare orde of de goede zeden en dat is ook niet gebleken.
Het tweede lid van artikel 4:43 BW bepaalt dat een uiterste wilsbeschikking, gemaakt onder invloed van een onjuiste beweegreden, slechts dan vernietigbaar is wanneer de door de erflater ten onrechte veronderstelde omstandigheid die zijn beweegreden tot de beschikking is geweest, in de uiterste wil zelf is aangeduid en de erflater de beschikking niet zou hebben gemaakt, indien hij van de onjuistheid dier veronderstelling had kennis gedragen.
Aan de voorwaarde voor vernietiging van het testament, namelijk dat de onjuiste omstandigheid die vaders beweegreden is geweest in het testament zelf moet zijn aangeduid, is niet voldaan. In het testament van vader is immers in het geheel geen beweegreden opgenomen. Dat in tegenstelling tot het oude erfrecht in het nieuwe erfrecht het beslissende karakter van die beweegreden niet in het testament behoeft te worden uitgedrukt, leidt niet tot een ander oordeel. Van vernietiging van het testament op de voet van artikel 4:43 BW is daarom geen sprake.
De advocaat van eisers heeft de vordering primair gegrond op het bepaalde in artikel 4:184 lid 2 BW. Zij hebben als onderbouwing aangevoerd dat gedaagden actief hebben verhinderd dat de schulden van eiser konden worden voldaan en dat gedaagden voorts verweten kan worden dat zij opzettelijk goederen aan het verhaal door schuldeisers hebben onttrokken.
Gedaagde hebben aangevoerd dat het bepaalde in artikel 4:184 BW ziet op de situatie na het overlijden van vader. Zij betwisten dat zij hebben verhinderd dat de schulden van eiser werden voldaan. Gedaagden hebben als vereffenaar van rechtswege de schulden voldaan conform de rangregeling van artikel 4:7 lid 2 BW. Na voldoening van de hypothecaire schuldeisers was er onvoldoende saldo aanwezig om de overige schuldeisers te betalen, aldus de advocaat van gedaagden.
Na deze gemotiveerde betwisting zijn eisers niet meer op hun stellingen ten aanzien van artikel 4:184 BW terug gekomen, zodat deze vordering als na betwisting onvoldoende nader onderbouwd niet voor toewijzing vatbaar is.
De advocaat van eisers heeft voorts gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat gedaagden geen recht hebben op de nalatenschap van vader omdat zij activa van de nalatenschap hebben doen verdwijnen als bedoeld in artikel 3:194 lid 2 BW althans dat gedaagden zijn overbedeeld op de voet van artikel 3:195 lid 2 BW.
Gedaagden hebben betwist dat zij na het overlijden van vader goederen aan zijn nalatenschap hebben onttrokken. Voorts hebben zij aangevoerd dat deze artikelen betrekking hebben op een gemeenschap en dat eisers geen deelgenoot zijn in een gemeenschap met gedaagden, omdat zij geen erfgenaam zijn. Na deze betwisting zijn eisers niet op hun in het geheel niet onderbouwde stelling terug gekomen. De gevraagde verklaringen van recht zullen daarom niet worden gegeven.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u vragen over de verdeling of afwikkeling van een erfenis of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.