Van onze advocaat verdeling erfenis. De Rechtbank Amsterdam heeft op 2 augustus 2017 uitspraak gedaan over de verdeling nalatenschap. De vraag was of de ouderlijke boedelverdeling in het testament nietig was en of daarmee dan ook het gehele testament nietig was.

De advocaat van de gedaagden betwist dat de quasi-ouderlijke boedelverdeling nietig is en dat dit betekent dat het (hele) testament nietig is of vernietigd moet worden.

Ouderlijke boedelverdeling

De rechtbank oordeelt als volgt. Artikel 1167 (oud) BW luidde als volgt:

“De bloedverwanten in de opgaande linie mogen bij uiterste wilsbeschikking, of bij notariële akte, tusschen hunne afkomelingen onderling of tusschen dezen en hun langstlevenden echtgenoot de verdeeling hunner goederen maken.”

Deze figuur werd een ouderlijke boedelverdeling genoemd. In het testament is een (door de notaris zo genoemde) “quasi ouderlijke boedelverdeling” opgenomen ten gunste van gedaagde 2 waarin is bepaald:

“Ter voldoening aan de op mij rustend verplichting (…) om ook na mijn overlijden mijn partner in staat te stellen in materieel en financieel zodanige omstandigheden te blijven leven als ware ik niet voor haar overleden, leg ik mijn (…) afstammelingen de last op mee te werken aan een scheiding en deling van mijn nalatenschap aldus, dat – als betrof het een zogenaamde ouderlijke boedelverdeling op de voet van artikel 1167 en verder van het derde Boek van het Burgerlijk Wetboek – aan mijn partner worden toegedeeld alle tot mijn nalatenschap behorende zaken, onder de verplichting alle schulden over te nemen, waartegen over ieder van mijn overige erfgenamen verkrijgt een vordering op mijn partner ter grootte van het erfdeel van de betrokken erfgenaam”.

Deze “quasi ouderlijke boedelverdeling” is nietig. Artikel 1167 (oud) BW bepaalde immers uitdrukkelijk dat de in dit artikel bedoelde verdeling alleen mogelijk is tussen afkomelingen (kinderen) onderling of tussen de afkomelingen (kinderen) en de langstlevende echtgenoot. In 1923 is de langstlevende echtgenoot aan het artikel toegevoegd. Uit niets blijkt dat de wetgever in die tijd met “echtgenoot” ook de niet-gehuwde partner heeft bedoeld en ook op grond van latere ontwikkelingen tot 2002 is dat niet af te leiden.

Overgangsrecht ouderlijke boedelverdeling

Vervolgens moet worden beoordeeld wat het gevolg is van het oordeel dat sprake is van een nietige (quasi-)ouderlijke boedelverdeling. Hiertoe dient eerst het toepasselijke overgangsrecht worden besproken. Het betreft hier een nalatenschap die is opengevallen vóór 1 januari 2003, de datum van inwerkingtreding van het huidige erfrecht. In beginsel geldt de hoofdregel van het overgangsrecht, neergelegd in artikel 68a Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek (Ow), namelijk onmiddellijke werking. Reeds onder het oude recht verkregen rechten worden echter geëerbiedigd op de voet van artikel 69 Ow. De ouderlijke boedelverdeling van artikel 1167 (oud) BW is niet teruggekeerd in het huidige (erf)recht; een onder oud recht (geldig) gemaakte ouderlijke boedelverdeling behoudt echter, op de voet van de artikelen 79 en 127 Ow, in beginsel haar geldigheid. Voor de gelding onder het huidige recht van een onder het oude recht nietige ouderlijke boedelverdeling bevatten de erfrechtelijke overgangsrechtelijke regels van artikelen 125 e.v. Ow geen voorziening. Het uitgangspunt van de meer algemene regels van artikelen 79-81 Ow is, kort gezegd, dat de nietigheden en vernietigbaarheden door het nieuwe, huidige recht worden geregeerd.

Testament nietig?

Gelet op artikel 3:59 BW zijn de bepalingen van titel 2 boek 3 BW van overeenkomstige toepassing in deze zaak. Rechtens staat thans vast dat de door erflater gemaakte quasi-ouderlijke boedelverdeling nietig is, hetgeen betekent dat de quasi-ouderlijke boedelverdeling in het testament nimmer tot stand is gekomen.

Op grond van artikel 3:42 BW vindt evenwel conversie plaats, indien aangenomen mag worden dat erflater gekozen zou hebben voor een andere, wel geldige rechtshandeling en had afgezien van de nietige quasi-ouderlijke boedelverdeling.

In het testament is ook het volgende legaat opgenomen ten gunste van gedaagde 2 : “Ik legateer aan mijn partner alle tot mijn nalatenschap behorende roerende en onroerende goederen, of mijn aandeel daarin, onder de verplichting tot inbreng in of verrekening met mijn nalatenschap van de waarde daarvan, zoals die waarde zal worden vastgesteld in onderling overleg tussen mijn erfgena(a)m(en / erfgename(n) en de legataris of – bij gebreke van overeenstemming – overeenkomstig de wettelijke voorschriften voor boedelscheidingen waarbij minderjarigen betrokken zijn. De legataris behoeft zich eerst na het haar bekend worden van de waarde van de goederen te verklaren omtrent het al of niet of gedeeltelijk aanvaarden van dit legaat.”

Alleen al uit dit legaat volgt dat de strekking van de nietige quasi-ouderlijke boedelverdeling zodanig beantwoordt aan die van dit legaat, dat aangenomen mag worden dat erflater dit legaat zou hebben gehandhaafd. Uit niets blijkt dat het testament voor het overige niet overeenstemt met de wensen van erflater, en dat het testament zonder de quasi-ouderlijke boedelverdeling niet in stand kan blijven, dat deze nietigheid niet meebrengt dat het gehele testament nietig is (er is geen sprake van één ondeelbare rechtshandeling). Dit betekent dat het testament ook voor het overige in stand blijft.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u vragen over de ouderlijke boedelverdeling, het opvragen van het kindsdeel , over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament of de verdeling van een nalatenschap, belt u dan gerust met onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.