Van onze advocaat verdeling erfenis. De Rechtbank Noord-Nederland heeft op 18 oktober 2017 uitspraak gedaan over de vraag of een schuldeiser de verdeling van nalatenschap kan vorderen teneinde zich op het aandeel van de schuldenaar (de erfgenaam) te kunnen verhalen. Geen misbruik van bevoegdheid.

De advocaat van X legt – samengevat – het volgende aan de vordering ten grondslag. X vordert terugbetaling van de uit hoofde van overeenkomsten van geldlening aan (onder andere) Y ter leen verstrekte geldbedragen, op grond waarvan Y volgens hem per saldo nog € 397.500,00 in hoofdsom verschuldigd is.

Naast de hiervoor genoemde overeenkomsten van geldlening, is er volgens X ook sprake geweest van een mondelinge overeenkomst van geldlening van 14 december 2005 ten bedrage van € 420.000,00, waarop in 2007 een aflossing van € 120.000,00 is gedaan zodat een bedrag van € 300.000,00 resteert.

Ter comparitie heeft X nader toegelicht dat hij op grond van die mondelinge overeenkomst gelden heeft verstrekt ten behoeve van de financiering van de aankoop van de woning. Hiertoe heeft hij een bankafschrift overgelegd waaruit blijkt dat hij op boekdatum 2 november 2005 een bedrag van € 445.125,81 naar het notariskantoor D heeft overgemaakt.

X vordert op grond van artikel 3:180 lid 1 BW dat de nalatenschappen van de erflaters verdeeld worden, opdat hij zich op de aandelen van Y daarin kan verhalen.

De advocaat van Y stelt zich – samengevat – op het standpunt dat X misbruik van bevoegdheid maakt door verdeling van de nalatenschappen van de erflaters te vorderen, omdat de woning bij de aangezegde executie voldoende zal opbrengen om hetgeen zij aan hem verschuldigd is – volgens haar een bedrag van ten hoogste € 37.750,00 – te voldoen. Ook stelt Y zich op het standpunt dat haar broer, A, ten onrechte niet in deze procedure is betrokken.

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld wat Y uit hoofde van de diverse overeenkomsten van geldlening aan X verschuldigd is. In dat verband heeft Y om te beginnen het bestaan van de door X gestelde mondelinge overeenkomst van 14 december 2005 betwist. Ter comparitie heeft zij nader toegelicht dat haar weliswaar intussen gebleken is dat X het geld voor de woning heeft overgemaakt, maar stelt zij zich op het standpunt dat niet zij maar B daarover met X een overeenkomst gesloten heeft.

De rechtbank stelt voorop dat het aan X is om, ter voldoening aan zijn stelplicht, zijn vordering met voldoende feiten en omstandigheden te onderbouwen. De rechtbank is van oordeel dat X dit heeft nagelaten, waartoe het volgende wordt overwogen. Vast staat dat de woning is gefinancierd met gelden die afkomstig zijn van X en dat daarover tussen partijen geen contact is geweest. Gesteld noch gebleken is dat B (mede) namens Y afspraken heeft gemaakt over de terugbetaling van die door X verstrekte gelden, nog daargelaten de vraag of hij daartoe wel bevoegd was.

Het enkele feit dat de woning is aangekocht met gelden die X heeft verstrekt en vervolgens door Y in eigendom is verkregen, acht de rechtbank onvoldoende om haar als schuldenaar aan te merken. In de particuliere hypotheek akte van 4 december 2015, waarnaar X in dit verband verwijst, is niet gespecificeerd tot zekerheid van welke geldleningen en/of kredieten het recht van hypotheek door Y aan X is verleend; die akte vormt daarom geen bewijs van het bestaan van de gestelde mondelinge overeenkomst.

Hierbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat uit de door Y bij de conclusie van antwoord in conventie overgelegde producties kan worden opgemaakt dat X ook gelden verstrekt heeft aan B c.q. de besloten vennootschap B.V., zonder dat Y daarbij contractspartij was.

Tot slot zijn er geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat Y zich op enig moment als schuldenaar van X heeft gedragen. In dat verband heeft Y onweersproken gesteld dat zij nooit rente heeft betaald en/of aflossingen heeft gedaan aan X in verband met de financiering van de woning. De aflossing die volgens X in 2007 heeft plaatsgevonden is blijkens het door hem overgelegde afschrift afkomstig van de B.V.; daaruit valt niet op te maken dat de aflossing (mede) namens Y heeft plaatsgevonden. De slotsom is dat de stellingen van X onvoldoende onderbouwd zijn, zodat aan het door hem gedane (algemene) bewijsaanbod voorbij zal worden gegaan.

Daarmee is niet vast komen te staan dat er sprake is van een tussen partijen gesloten mondelinge overeenkomst van 14 december 2005, zodat de tot betaling strekkende vordering van X voor het betreffende gedeelte – een bedrag van € 300.000,00 in hoofdsom te vermeerderen met rente – voor afwijzing gereed ligt. Gelet hierop hoeven de (meer) subsidiaire verweren van Y, die kort gezegd een beroep op verjaring en rechtsverwerking behelzen, geen bespreking.

Het bestaan van de hiervoor genoemde overeenkomsten van geldlening is wel door Y erkend. Zij stelt zich echter op het standpunt dat naast het afgeloste bedrag van € 330.000,00, nog een bedrag van in totaal € 59.750,00 in mindering moet worden gebracht in verband met diverse betalingen die in de jaren 2010 tot en met 2015 aan X zijn gedaan. Ter comparitie heeft X in reactie hierop aangevoerd dat het om rentebetalingen gaat, hetgeen Y op haar beurt bevestigd heeft.

Aangezien de vordering ook betrekking heeft op de overeengekomen rente uit hoofde van de genoemde overeenkomsten van geldlening, zal toepassing moeten worden gegeven aan het bepaalde in artikel 6:44 lid 1 BW, op grond waarvan betalingen eerst in mindering strekken van de kosten en de rente. Daarbij zal tot uitgangspunt worden genomen dat alle betalingen betrekking hebben op de hiervoor genoemde overeenkomsten, nu het tegendeel daarvan gesteld noch gebleken is.

Ter zake van de overeengekomen rente vordert X betaling vanaf “de diverse data van opeisbaarheid”, zonder deze data nader te concretiseren. De rechtbank zal gelet hierop uitgaan van datum waarop X per brief (onder meer) de onderhavige overeenkomsten van geldlening heeft opgezegd en opgeëist, namelijk 20 maart 2015.

Gelet op het voorgaande is Y het volgende aan X verschuldigd, en zal de tot betaling strekkende vordering, te zijner tijd bij eindvonnis, worden toegewezen als volgt:

– uit hoofde van de overeenkomst d.d. 29 juni 2010: € 150.000,00, te vermeerderen met 8% rente daarover vanaf 20 maart 2015,

– uit hoofde van de overeenkomst d.d. 31 maart 2011: € 150.000,00, te vermeerderen met 6% rente daarover vanaf 20 maart 2015,

– uit hoofde van de overeenkomst d.d. 1 mei 2012: het deel waarvoor [Y] verbonden is ten bedrage van € 90.000,00, te vermeerderen met 5% rente daarover vanaf 20 maart 2015,

– uit hoofde van de overeenkomst d.d. 4 december 2012: het deel waarvoor [Y] verbonden is ten bedrage van € 37.500,00, te vermeerderen met 5% rente daarover vanaf 20 maart 2015,

– waarop in mindering dienen te worden gebracht de betalingen van een bedrag van € 330.000,00 en de betalingen van bedragen van in totaal € 59.750,00, met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:44 lid 1 BW en uitgaande van de verschillende data waarop die betreffende betalingen hebben plaatsgevonden.

Schuldeiser vordert verdeling van nalatenschap teneinde zich op het aandeel van de schuldenaar daarin te kunnen verhalen. Geen misbruik van bevoegdheid.

Daarmee komt de rechtbank thans toe aan beantwoording van de vraag of, zoals Y stelt, X misbruik van bevoegdheid maakt door verdeling van de nalatenschappen van de erflaters te vorderen.

Hiervan kan slechts onder bijzondere omstandigheden sprake zijn. Misbruik van recht kan onder meer worden aangenomen als X geen redelijk te respecteren belang heeft bij het vorderen van verdeling, mede gelet op de belangen aan de zijde van Y die daardoor zullen worden geschaad, of als er aan de zijde van Y een noodsituatie zou ontstaan.

Ook kan hiervan sprake zijn als X het recht uitoefent met geen ander doel dan het schaden van Y, of als hij zijn recht uitoefent met een ander doel dan waarvoor het is verleend.

Van dit alles is niet gebleken. Het enkele feit dat X een ander zekerheidsrecht kan uitoefenen, wat voldoende zou kunnen opbrengen om het totale verschuldigde bedrag te voldoen, acht de rechtbank hiertoe onvoldoende.

Daarbij wordt opgemerkt dat uit de stellingen van partijen blijkt dat de hypotheek akte van 29 juni 2010 alleen betrekking heeft op de overeenkomst van diezelfde datum, zodat X zich bij executie van de woning alleen voor dat gedeelte van de vordering zal kunnen verhalen. Om dezelfde redenen als hier vermeld, gaat ook het beroep van Y op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid niet op.

Er kan kortom op grond van artikel 3:180 lid 1 BW verdeling van de nalatenschappen van de erflaters worden gevorderd, doch niet verder dan nodig is voor het verhaal van de vordering van X op Y. Y heeft verder nog ten verweer aangevoerd dat ten onrechte haar broer, A, niet in deze procedure is betrokken.

De rechtbank oordeel hierover als volgt. Een vordering tot verdeling van een nalatenschap betreft in beginsel een rechtsverhouding waarbij het rechtens noodzakelijk is dat een beslissing daarover in dezelfde zin luidt ten aanzien van alle bij die rechtsverhouding betrokkenen (een zogeheten processueel ondeelbare rechtsverhouding).

Dat betekent dat de rechter de beslissing over die verdeling slechts kan geven in een geding waarin allen die bij die rechtsverhouding zijn betrokken, partij zijn, zodat de rechterlijke beslissing hen allen bindt (vgl. Hoge Raad, 10 maart 2017, HR:2017:411).

Aangezien X uitdrukkelijk heeft verzocht om A op te mogen roepen en Y ter comparitie kenbaar heeft gemaakt zich daartegen niet te verzetten, zal X alsnog in de gelegenheid worden gesteld om een exploot op de voet van artikel 118 Rv uit te brengen. Nu volgens Y haar broer zich in Brazilië bevindt, zal de rechtbank een termijn van vier maanden bepalen waarbinnen de oproeping dient te hebben plaatsgevonden.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening of verdeling van een erfenis, over het kindsdeel of over de legitieme, over misbruik van recht of over het leggen van een beslag in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.