Van onze advocaat verdeling erfenis. De Rechtbank Midden-Nederland heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over een verzoek om de som ineens, als bedoeld in artikel 4:36 BW, vast te stellen. De kantonrechter wijst dit verzoek af omdat niet is gebleken dat de verdiencapaciteit van verzoeker door de zorg voor erflater is aangetast.

Erflater was ten tijde van zijn overlijden gehuwd met verweerster. Verzoekster en belanghebbende zijn de twee kinderen van erflater en verweerster.

Erflater heeft over zijn nalatenschap bij testament beschikt op 5 november 1986 en op 27 oktober 2011. Daarin is hij niet afgeweken van de wettelijke erfopvolging zodat verweerster, verzoekster en belanghebbende de erfgenamen zijn. Zij hebben allen de nalatenschap zuiver aanvaard.

In het testament van 5 november 1986 heeft erflater de ouderlijke boedelverdeling tot stand gebracht. In het testament van 27 oktober 2011 heeft erflater aanvullend beschikt over zijn nalatenschap waarbij hij zijn inboedel legateert aan zijn kinderen en verzoekster tot executeur benoemt. Zij heeft deze benoeming niet aanvaard.

Erflater is per 1 juli 2003 verhuisd naar een woonzorgcentrum. Vanaf die datum woonden erflater en verweerster gescheiden.

Verzoekster maakt als kind van erflater op grond van artikel 4:36 van het Burgerlijk Wetboek (BW) aanspraak op een som ineens strekkende tot een billijke vergoeding omdat zij arbeid heeft verricht in zijn huishouding zonder een voor die arbeid passende beloning te ontvangen.

Verweerster en belanghebbende voeren hiertegen verweer. Hun geschil hierover wordt thans voorgelegd aan de kantonrechter.

Verzoekster stelt dat zij recht heeft op de som ineens als bedoeld in artikel 4:36 BW en verzoekt de kantonrechter deze vast te stellen.

Daartoe voert zij aan dat zij gedurende lange tijd, namelijk vanaf het moment dat erflater en verweerster niet meer samenwoonden de zorg voor erflater op zich heeft genomen. Deze zorg werd niet, althans minimaal uitbesteed vanwege de kosten daarvoor. De zorg was ook noodzakelijk omdat de instelling waar hij woonde hem niet goed verzorgde, aldus verzoekster.

Verzoekster meent dat een economische waarde kan worden toegekend aan de door haar verleende zorg. Tot slot stelt verzoekster dat zij door deze intensieve zorg niet in staat was om op haar werk door te groeien naar een hogere functie en meer uren te maken.

Derhalve is er sprake van verlies van verdiencapaciteit.

Verzoekster stelt dat zij gedurende 12 jaar voor 25 uur per week arbeid heeft verricht voor erflater. De maximale hoogte van de som ineens, zijnde de helft van de waarde van de nalatenschap, zou € 23.250,– zijn. Dit zou neerkomen op een uurloon van circa € 1,49. Dat is ruim minder dan het loon wat een professional voor die zorg in rekening zou brengen. Derhalve vraagt verzoekster de kantonrechter de som ineens vast te stellen op de helft van de waarde van de nalatenschap, namelijk € 23.250,-.

Verweerster meent dat verzoekster geen recht heeft op de som ineens en vraagt het verzoek af te wijzen.

Allereerst betwist zij dat erflater hulpbehoevend was vanaf het moment dat hij in het woonzorgcentrum ging wonen in 2003. Pas in 2006/2007 bleek erflater een tumor te hebben en had hij hulp nodig, maar niet in de mate zoals verzoekster dat stelt. Verweerster deed ook huishoudelijke taken voor erflater zoals boodschappen, koken en wassen. Toen zij zelf gezondheidsproblemen kreeg, ongeveer een jaar voor het overlijden van erflater, is verzoekster meer betrokken geweest bij de zorg voor erflater.

Echter, vanaf dat moment evenmin in de mate waarin verzoekster stelt. Daarbij komt dat er wekelijks schoonmaakhulp was alsmede hulp van V. Bovendien zorgde verzoekster volgens verweerster graag voor erflater en zij had het kunnen aangeven als het te veel was voor haar. Dan zou namelijk extra (professionele) hulp worden ingeschakeld.

Resumerend wordt zowel de intensiteit van de zorg als de noodzaak daarvan betwist door verweerster. Tot slot is verzoekster niet geschaad in haar carrièremogelijkheden. Uit de door verzoekster toegestuurde stukken blijkt juist dat zij in de periode waarin zij erflater zou hebben verzorgd 3 uren per week meer is gaan werken. Voorts blijkt uit die stukken dat verzoekster de zorg (met name) heeft gedaan in haar vrije tijd, namelijk in de avonden en de weekenden en daarnaast altijd volledig heeft kunnen werken.

Belanghebbende is het eens met hetgeen door verweerster is aangevoerd. Hij heeft ter terechtzitting verweer gevoerd tegen het verzoek.

Som ineens als bedoeld in artikel 4:36 BW. De kantonrechter wijst dit verzoek af omdat niet is gebleken dat de verdiencapaciteit van verzoeker door de zorg voor erflater is aangetast.

De rechter oordeelt als volgt.

De kantonrechter overweegt het volgende. Allereerst staat vast dat verzoekster de aanspraak op de som ineens tijdig heeft gedaan.

Derhalve dient de kantonrechter te beoordelen of verzoekster aanspraak kan maken hierop.

In de literatuur en jurisprudentie zijn aan de hand van de wetsgeschiedenis een aantal criteria geformuleerd waaraan moet worden voldaan om een geslaagde aanspraak te doen op de som ineens als bedoeld in artikel 4:36 BW.

Zo moet er sprake zijn van (langdurige) arbeid althans zorg. Dat verzoekster veel voor erflater heeft gezorgd staat tussen partijen vast.

In geschil is echter hoe langdurig en intensief deze zorg was alsmede of deze noodzakelijk was.

Één van de criteria is ook dat het kind dat arbeid heeft verricht voor zijn ouder hierdoor is beperkt in zijn of haar mogelijkheden om elders betaalde arbeid te verrichten.

Als dat namelijk het geval zou zijn, is dat kind in een slechtere financiële positie geraakt dan de andere erfgenamen, hetgeen de som ineens rechtvaardigt.

Verzoekster stelt dat hiervan sprake is. verweerster en belanghebbende betwisten dit.

De kantonrechter overweegt hierover als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat verzoekster in de gehele periode waarop zij aanspraak maakt op de som ineens -en ook nu nog- bij dezelfde werkgever heeft gewerkt.

Zij had aanvankelijk een aanstelling voor 35 uur per week en vervolgens voor 38 uur per week.

Verzoekster heeft uiteengezet dat het aantal uren voor fulltimers bij haar werkgever aanvankelijk 35 uur per week bedroeg en op 1 januari 2008 is verhoogd naar 38 uur per week met een marge.

Voorts heeft verzoekster zelf ter terechtzitting te kennen gegeven dat zij de gehele periode een fulltime aanstelling had. Zij voegde toe dat zij vaker 40 uur per week werkte dan 35 of 38 uur per week. Fulltime werken bij de werkgever van verzoekster was derhalve een werkweek van (niet meer dan) 35 tot 40 uur per week.

Logischerwijs is een aanstelling voor meer uren bij deze werkgever dan niet mogelijk. Gesteld noch gebleken is dat verzoekster bij een andere werkgever wel meer uren had kunnen (en willen) werken, maar dat dit door de zorg voor erflater niet mogelijk was.

Derhalve houdt het argument van verzoekster dat zij door de zorg voor erflater bij haar werkgever geen promotie heeft kunnen maken omdat zij voor dergelijke (hogere) functies meer uren werkzaam zou moeten zijn, geen stand.

Van verlies van verdiencapaciteit is in dit opzicht naar het oordeel van de kantonrechter daarom geen sprake.

De kantonrechter gaat ook anderszins voorbij aan de stelling van verzoekster dat zij in de door haar genoemde periode promotie heeft misgelopen vanwege de zorg voor erflater.

Deze door verweerster en belanghebbende betwiste stelling is door verzoekster niet, althans onvoldoende, onderbouwd.

Uit de overgelegde verklaringen van (ex)collega’s blijkt dit naar het oordeel van de kantonrechter namelijk niet. De twee verklaringen die lijken te suggereren dat verzoekster een kans zou hebben op een (opleiding voor een) andere functie (eerste medewerkster volgens A en een administratieve functie volgens B) betreffen jaren (2001 respectievelijk 2002) die gelegen zijn voor de nu door verzoekster aangevoerde periode.

Bovendien blijkt daaruit onvoldoende dat het zou gaan om een beter betaalde functie. De verklaring van C is niet concreet over een promotiemogelijkheid bij de werkgever en gaat bovendien uit van een 35–uur contract in de periode 2011 tot 2014, terwijl verzoekster volgens eigen opgave toen reeds een aanstelling had voor 38 uur per week.

De verklaringen van overige collega’s, familie en uroloog spreken over de zorg en geven geen informatie over concrete promotiemogelijkheden voor verzoekster.

Resumerend is de kantonrechter niet gebleken dat de verdiencapaciteit van verzoekster is aangetast door de zorg voor erflater.

Dat betekent dat zij reeds op die grond geen aanspraak kan maken op de som ineens als bedoeld in artikel 4:36 BW.

Aan de beoordeling van de stellingen van partijen over de intensiteit van de zorg, de duur en de noodzaak daarvan komt de kantonrechter derhalve niet meer toe.

Uit het voorgaande volgt dat de kantonrechter het verzoek van verzoekster om de som ineens vast te stellen zal afwijzen.

Het verzoek dat ziet op veroordeling van verweerster en belanghebbende om de som ineens te betalen zal de kantonrechter dus ook afwijzen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over het kindsdeel of over de legitieme, over de som ineens of over een voorschot op de erfenis, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.