Van onze advocaat verdeling erfenis. De Rechtbank Rotterdam heeft op 19 april 2017 uitspraak gedaan over het spoedeisend belang van een vordering in kort geding over de afwikkeling van de verdeling van een erfenis.

De advocaat van eiser vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagden te veroordelen om opgave te doen van alle zaken, goederen, gelden en geldswaarden en schriftelijke bescheiden waarover zij zich reeds voor en ook na het overlijden van erflaatster hebben ontfermd en vervolgens al die hier genoemde of bedoelde zaken aan eiser over te dragen, in die zin dat hij daarover volledig kan beschikken en wel binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis, op straffe van de verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag, voor zowel gedaagden, voor elke dag of een gedeelte van een dag dat zij daarmee in gebreke blijven, met een maximum van in totaal € 25.000,-, met veroordeling van gedaagden in de kosten van dit geding.

De advocaat van eiser legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij ingevolge het testament van erflaatster als erfgenaam gerechtigd is om alle goederen die zij heeft nagelaten in bezit te nemen.

De advocaat van gedaagden voert verweer. Hij stelt dat het, vanwege de echtscheiding, ook al is die nooit ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, niet langer de bedoeling van erflaatster kan zijn geweest om de formele echtgenoot nog als erfgenaam aan te wijzen. Eiser heeft voorts geen spoedeisend belang bij zijn vordering.

De advocaat van eiser stelt dat hij spoedeisend belang heeft bij zijn vordering, omdat hij de nalatenschap dient af te wikkelen en daartoe aangifte erfbelasting dient te doen, en omdat hij als erfgenaam gerechtigd is om over de nalatenschap te beschikken.

Gedaagden hebben, na dat voorafgaand aan deze procedure al te hebben aangeboden, in deze procedure opgave gedaan van de bezittingen van erflaatster die zich onder hen bevinden en hebben kopieën van bankafschriften overgelegd waaruit de saldi van de bankrekeningen van erflaatster op de voor de aangifte erfbelasting relevante data blijken. Eiser vindt de opgave van de bezittingen niet afdoende en gelooft niet dat dit alle nog resterende goederen zijn. Daarnaast stelt hij er recht op te hebben te weten wat er in de periode 2013 tot en met 2015 met het geld op de bankrekening van zijn overleden moeder is gebeurd.

De voorzieningenrechter overweegt dat eiser zijn spoedeisend belang bij het gevorderde onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Eiser heeft ter zitting geen antwoord kunnen geven op de vraag van de voorzieningenrechter, wanneer de erfenis moet zijn afgewikkeld en, of en wanneer, in dat kader een aangifte erfbelasting moet zijn gedaan. Op dit laatste punt bleek er nog geen uitnodiging tot het doen van aangifte te zijn ontvangen en, zo nodig, ook nog geen gebruik te zijn gemaakt van de mogelijkheid om uitstel aan te vragen voor het doen van de aangifte. Bovendien betwist eiser niet dat hij op dit moment over voldoende gegevens beschikt om aangifte erfbelasting te kunnen doen.

Evenmin heeft eiser het spoedeisend belang om over de nalatenschap te beschikken voldoende aannemelijk gemaakt. Hij heeft niet toegelicht welk belang hij heeft om, buiten het kader van de afwikkeling van het testament, te beschikken over de goederen van de nalatenschap. Gesteld noch gebleken is voorts van aanwijzingen die het vermoeden van eiser rechtvaardigen dat gedaagden goederen aan de nalatenschap onttrekken. Gezien de, door eiser niet betwiste, grote uitgaven voor de begrafenis, de advocaat, en de eigen bijdrage aan het CAK, ligt het vooralsnog niet voor de hand dat de saldi op de bankrekeningen fors zijn geslonken als gevolg van onterechte onttrekkingen.

Daarnaast is de vordering onvoldoende bepaalbaar. De advocaat van eiser stelt in de dagvaarding niet welke zaken of goederen aan hem zouden moeten worden overgedragen. Nadat gedaagden in hun conclusie van antwoord opgave van de bij hen nog aanwezige goederen hebben gedaan, beperkt hij zich in zijn pleitnota tot de opmerking dat de nalatenschap meer omvat dan de saldi op de bankrekeningen, een muntenverzameling, antieke kast en een paar doosjes met sieraden. Hij noemt, afgezien van gordijnen, echter nog steeds niet om welke concrete goederen het dan zou gaan.

Uit het overwogene volgt dat de vordering moet worden afgewezen. Dat betekent dat de vraag of eiser nog beschikt over de hoedanigheid van erfgenaam en uit dien hoofde gerechtigd is om opgave van goederen uit de nalatenschap te vorderen, niet in dit kort geding behoeft te worden beantwoord. Die vraag leent zich, ook gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, ook niet voor beantwoording in dit kort geding.

Heeft u vragen over de verdeling en afwikkeling van een erfenis of over een kort geding procedure in een erfrechtzaak, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.