Van onze advocaat verdeling erfenis. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 22 augustus 2017 uitspraak gedaan over de uitleg van een testament. Bewijsopdracht dat erflater zich klaarblijkelijk heeft vergist (artikel 4:46 lid 3 BW). Rekening en verantwoording?
Volgens de advocaat van appellanten heeft erflater niet gewild dat de prelegaten ten laste van het erfdeel van appellant 1 komen. Erflater heeft steeds voor ogen gehad dat zijn drie kinderen gelijk moeten worden behandeld, ook in financiële zin.
Hij heeft niet beoogd om appellant 1, door middel van de prelegaten, de eerdere lening met rente te laten inbrengen in de nalatenschap. Sprake is geweest van een kennelijke vergissing door de kwijtgescholden lening alsnog via de prelegaten te verrekenen.
Ten tijde van het opmaken van het testament ten aanzien van de prelegaten was erflater 91 jaar oud. Het is merkwaardig dat de executeur, die drie maanden na het overlijden van hun moeder de nieuwe accountant werd van erflater en die eveneens de accountant was van geïntimeerde, hem heeft bijgestaan in het wijzigen van zijn testament.
De door executeur in de brief van 17 april 2007 geformuleerde gedachte, die erflater weliswaar voor akkoord heeft getekend, is in strijd met zijn eerdere uitlatingen jegens appellant 2, die inhielden dat de renteloze lening aan appellant 1, die later is kwijtgescholden, een compensatie was voor de investeringen in de studies van appellant 2 en geïntimeerde.
Met het verstrekken van de renteloze lening van ƒ 50.000,- en de kwijtschelding daarna heeft erflater die gelijkheid willen creëren. Na kwijtschelding van de renteloze lening aan appellant 1 was erflater van mening dat hij zijn kinderen gelijk had behandeld. Dat heeft hij met regelmaat tegen appellant 2 uitgesproken.
De advocaat van geïntimeerde heeft verweer gevoerd.
Erflater heeft een lening van ƒ 50.000,- aan appellant 1 verstrekt omdat appellant 1 zelf geen lening kon krijgen.
Daarnaast ontving appellant 1 vanaf 1982/1983 tot en met maart 2007 maandelijks ƒ 500,- (€ 227,-) als bijdrage voor zijn levensonderhoud.
Deze betalingen hebben een rol gespeeld bij het maken van de prelegaten, ter compensatie van de twee andere kinderen. De financiering van de studies is geen reden hiervoor geweest. Erflater had het recht om legaten te maken zoals hij dat wilde en hij heeft dat weloverwogen gedaan. Hij wilde doen met zijn geld wat hij wilde en hij heeft geïntimeerde willen belonen voor haar zorg en steun..
Door kwijtschelding van de lening en door regelmatig geld aan appellant 1 te geven, zijn de overige erfgenamen benadeeld. Deze onrechtvaardigheid heeft erflater in zijn testament willen corrigeren. De kwijtgescholden lening en de daarover betaalde rente is verrekend door het opnemen van de legaten in het testament. In de brief van executeur is ook vermeld dat met name in verband met de geldlening legaten zijn opgenomen, dus niet uitsluitend op grond van de geldlening maar ook op grond van de vele giften, schenkingen en bijdragen, aldus de advocaat van geïntimeerde.
De uitleg van een testament. Artikel 4:46 BW
Het hof stelt voorop dat het testament moet worden uitgelegd aan de hand van de maatstaf van art. 4:46 BW.
Dat betekent dat het hof allereerst dient te letten op de verhoudingen die het testament kennelijk wenst te regelen en op de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt (art. 4:46 lid 1 BW).
Het testament wenst de verhouding tussen de kinderen van erflater te regelen, waarbij aan appellant 2 en geïntimeerde ieder een bedrag van € 92.340,00 is gelegateerd en waarbij de kinderen, tezamen en voor gelijke delen, tot erfgenaam zijn benoemd.
Appellant 1 is wel tot erfgenaam benoemd maar aan hem is geen legaat toegekend.
Het testament is opgemaakt onder de omstandigheid dat erflater de leeftijd van 91 jaar had bereikt. Gesteld noch gebleken is dat zijn geestvermogens op of omstreeks het opmaken van het testament (blijvend of tijdelijk) waren gestoord zoals bedoeld in artikel 3:34 BW. Kort voor het opmaken van het testament heeft erflater de brief van executeur van 17 april 2007 voor akkoord ondertekend.
Appellanten hebben zich beroepen op art. 4:46 lid 3 BW. Volgens hen heeft erflater zich bij het akkoord tekenen van voornoemde brief van 17 april 2007, welke brief de basis is geweest voor het nieuwe testament van 27 april 2007, vergist.
De tekst van het testament strookt volgens hen niet met de bedoeling van erflater. Erflater heeft zich klaarblijkelijk vergist door de kwijtgescholden lening alsnog via de prelegaten te verrekenen, aldus appellanten.
Volgens hen heeft erflater beoogd om appellant 1, door het kwijtschelden van de lening, te compenseren voor de door hem aan appellant 2 en geïntimeerde betaalde bedragen vanwege hun studies. Toen de renteloze lening aan appellant 1 werd kwijtgescholden was erflater van mening dat hij aldus zijn drie kinderen gelijk had behandeld. Dat heeft erflater met grote regelmaat ten opzichte van appellant 2 uitgesproken.
Naar het oordeel van het hof bieden de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenste te regelen en de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt, onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat de bewoordingen niet overeenstemmen met de wil van erflater (art. 4:46 lid 1 BW).
Het hof zal appellanten, nu de stelplicht en bewijslast ingevolge de hoofdregel van art. 150 Rv op hen rusten, toelaten tot bewijs dat erflater met grote regelmaat ten opzichte van appellant 2 heeft uitgesproken dat hij van mening was dat hij met het kwijtschelden van de lening van appellant 1 zijn drie kinderen gelijk had behandeld.
Het hof acht het door appellanten gedane bewijsaanbod ter zake dienend en voldoende concreet en gespecificeerd.
Het afleggen van rekening en verantwoording
Het hof zal de overige grieven gezamenlijke behandelen. Door middel van deze grieven betogen appellanten dat de vordering tot veroordeling van geïntimeerde om rekening en verantwoording af te leggen ten onrechte zijn afgewezen.
Volgens appellanten heeft geïntimeerde ten laste van de bankrekening van erflater in de periode 2006 tot en met 2012 gelden opgenomen voor in totaal € 161.566,- en moet zij daarover rekening en verantwoording afleggen.
Als zij er niet in slaagt om aan te tonen dat zij de opnamen heeft gedaan met goedvinden van erflater én dat de opnames aan erflater ten goede zijn gekomen, dan wordt het niet verantwoorde deel als onrechtmatig onttrokken beschouwd en dient zij 2/3 van dat verschil aan appellanten terug te betalen (€ 107.710,66).
Geïntimeerde heeft betwist dat zij met de betaalpas van erflater € 161.566,- heeft opgenomen.
Erflater heeft tot juli 2009 zelf contante pinopnames gedaan. Vanaf ongeveer 2010 werd dat moeilijk en vanaf die tijd heeft geïntimeerde samen met hem pinopnames gedaan om, naast de vaste lasten die maandelijks per bank werden afgeschreven (€ 1.517,61 per maand), de overige lasten contant te kunnen betalen (€ 1.165,- per maand).
Volgens vaste rechtspraak kan een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording worden aangenomen indien tussen partijen een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan krachtens welke de een jegens de ander (de rechthebbende) verplicht is om zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te verantwoorden.
Een zodanige verhouding kan voortvloeien uit de wet, een rechtshandeling of ongeschreven recht.
Aan het oordeel dat op grond van ongeschreven recht een verplichting bestaat om zich te verantwoorden over de behoorlijkheid van het over het vermogen van een ander gevoerd beheer, kan bijdragen dat sprake is van een rechtsverhouding die verwantschap vertoont met een of meer in de wet geregelde gevallen waarin een dergelijke verplichting is neergelegd, zoals gemeenschap, opdracht of zaakwaarneming.
Voor het overige is het antwoord op de vraag of een zodanige verantwoording geboden is, sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
Omstandigheden die in dit verband een rol kunnen spelen zijn onder meer:
(i) de redenen waarom het beheer is gevoerd,
(ii) de verhouding die bestond tussen degene die het beheer voerde en de rechthebbende,
(iii) hetgeen in de relatie tussen partijen of in soortgelijke gevallen gebruikelijk is of was,
(iv) de mate waarin degene die het beheer voerde, zelfstandig kon en mocht handelen, en
(v) de mate waarin de rechthebbende in staat is geweest de handelingen van degene die het beheer voerde te overzien en voor zijn belangen op te komen
Het hof stelt vast dat is gesteld noch gebleken dat een rechtsverhouding bestaat op grond waarvan een verantwoordingsplicht dient te worden aangenomen.
Voorts hebben appellanten niet gesteld dat erflater tijdens zijn leven wilsonbekwaam was, onder bewind stond of op een andere manier beperkt was om zijn financiën te voeren. Volgens hen had geïntimeerde weliswaar een slechte relatie met hun ouders (derhalve erflater én moeder), maar geïntimeerde heeft dit betwist en hiertegenover aangevoerd dat zij na het overlijden van haar moeder de zorg heeft opgenomen voor haar erflater en hem heeft bijgestaan tot zijn overlijden. Zij heeft in dit verband verwezen naar de volmacht die zij van erflater heeft gekregen.
Gesteld noch gebleken is dat erflater vanaf 2006 geïntimeerde op enig moment om rekening en verantwoording heeft gevraagd met betrekking tot de contante geldopnames die zij samen met hem heeft verricht.
Uit het voorgaande volgt dat er vanuit moet worden gegaan dat erflater steeds in staat was om de handelingen van geïntimeerde te overzien en hij hun gezamenlijke, althans volgens appellanten haar handelingen, heeft goedgekeurd.
De familierechtelijke relatie tussen erflater en geïntimeerde bracht kennelijk mee dat geen afzonderlijke boekhouding over de contante pinopnames en betalingen werd gevoerd, maar dat in vertrouwen werd gehandeld. Onder deze omstandigheid bestaat er naar het oordeel van het hof voor geïntimeerde geen verplichting tot het doen van rekening en verantwoording over de periode vanaf 2006 tot 15 mei 2012.
De omstandigheden dat het overgrote deel van de bankopnames volgens appellanten sinds 2006, toen erflater 91 jaar was, is gedaan bij de bank waar geïntimeerde woont en werkt, terwijl erflater aan de andere kant van de wijk woonde, hij geen auto meer reed en het ongeloofwaardig is dat hij elke dag naar de andere kant kwam (afstand: 6 km) om daar, met geïntimeerde, geld te pinnen, is onvoldoende om aan te nemen dat rekening en verantwoording moet worden afgelegd en evenmin sprake is van onrechtmatigheid aan de kant van geïntimeerde.
Appellanten, op wie de last rust te bewijzen dat sprake is van een onrechtmatige daad aan de zijde van geïntimeerde hebben in het licht van de betwisting hiervan door geïntimeerde onvoldoende gesteld.
Geïntimeerde heeft erkend dat zij vanaf 15 mei 2012 rekening en verantwoording moet afleggen voor de uitgaven voor de kosten van levensonderhoud en persoonlijke verzorging van erflater. Dit heeft zij gedaan door het overleggen van een overzicht “betalingen en ontvangsten”, dat is opgesteld door de executeur en een betalingsbevestiging.
Deze stukken zijn door appellanten niet, althans onvoldoende weersproken. Geïntimeerde wordt daarmee geacht vanaf 15 mei 2012 behoorlijk rekening en verantwoording te hebben gedaan.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over het kindsdeel of over de legitieme, over de uitleg van een testament of over het afleggen van rekening en verantwoording in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.