Van onze advocaat verdeling erfrecht. Het Gerechtshof Den Haag heeft op 18 juli 2017 uitspraak gedaan over een geschil tussen kinderen omtrent de nalatenschappen van de ouders, waarvan een van de kinderen belast was met de administratie en het beheer. Er was sprake van een processueel ondeelbare rechtsverhouding, welke ook de nog niet in de procedure betrokken zuster raakt. Het Hof gelast de oproeping van de zuster.
Het gaat in deze zaak, kort weergegeven, om het volgende. Partijen zijn gedurende een groot aantal jaren verwikkeld in gerechtelijke procedures, die als inzet de onverdeelde nalatenschap van de ouders van appellant, geïntimeerde en hun zuster hebben. Geïntimeerde was sinds 1983 belast met de administratie van en het beheer over de onverdeelde nalatenschap van de ouders. Geïntimeerde is bij vonnis van 19 april 2001 van de rechtbank Rotterdam, gewezen tussen appellant als eiser en geïntimeerde alsmede hun zuster, die in die procedure niet is verschenen, als gedaagden, veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording omtrent zijn beheer over de onverdeelde gemeenschap van de ouders. Dit is niet gebeurd. Op of omstreeks 20 oktober 2002 is bij geïntimeerde een herseninfarct/afasie opgetreden, ten gevolge waarvan hij in een verzorgingsinstelling is opgenomen. Bij beschikking van 26 april 2004 zijn de goederen van geïntimeerde onder bewind gesteld.
Processueel ondeelbare rechtsverhouding
De vorderingen die in eerste aanleg bij de rechtbank en in hoger beroep bij het hof voorliggen betreffen, in ieder geval voor zover deze betrekking hebben op de verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording over het beheer over de onverdeelde nalatenschap door geïntimeerde, de schadeplichtigheid aan de erfgenamen van geïntimeerde en de verdeling van deze nalatenschap, een rechtsverhouding waarbij het rechtens noodzakelijk is dat een beslissing daarover in dezelfde zin luidt ten aanzien van alle bij die rechtsverhouding betrokkenen (een zogeheten processueel ondeelbare rechtsverhouding).
Het hof overweegt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 10 maart 2017 (HR:2017:411) dat dit betekent dat ten aanzien van deze vorderingen slechts een beslissing gegeven kan worden in een geding waarin allen die bij die rechtsverhouding zijn betrokken, partij zijn, zodat de rechterlijke beslissing hen allen bindt. Dat geldt zowel in eerste aanleg als na aanwending van een rechtsmiddel. Wanneer een partij een dergelijke beslissing wil uitlokken, dienen dan ook alle bij de rechtsverhouding betrokken partijen in het geding te worden geroepen, zowel in eerste aanleg, als in volgende instanties.
Vast staat dat bij de nalatenschap drie erfgenamen zijn betrokken: behalve appellant en geïntimeerde ook hun zuster. In het geding dat heeft geleid tot het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 19 april 2001, waarbij geïntimeerde is veroordeeld om rekening en verantwoording af te leggen omtrent zijn beheer over de onverdeelde gemeenschap van de ouders van partijen en om met appellant en zuster over te gaan tot scheiding en deling van de nalatenschap van de ouders, zoals deze na acceptatie van de rekening en verantwoording mag blijken te bestaan, met benoeming van een notaris, is zij wel als partij betrokken; zij is echter in die procedure niet verschenen. In de onderhavige procedure is zij in het geheel niet betrokken.
Indien degene die een beslissing wil uitlokken over een processueel ondeelbare rechtsverhouding nalaat om alle bij de rechtsverhouding betrokken partijen in het geding te roepen, dan dient de rechter, ambtshalve, gelegenheid te geven om de niet opgeroepen personen alsnog als partij in het geding te betrekken door oproeping op de voet van art. 118 Rv. binnen een daartoe door de rechter te stellen termijn. Ook dit geldt zowel in eerste aanleg als na aanwending van een rechtsmiddel.
Vorenstaande brengt met zich dat er sprake is van een verzuim dat in de procedure in hoger beroep kan worden hersteld door de zuster alsnog in het geding te betrekken. Appellant is naar het oordeel van het hof de aangewezen partij om voor oproeping van zuster zorg te dragen. Indien van die herstelmogelijkheid geen gebruik gemaakt wordt, dan wordt de betreffende partij niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. De oproeping van zuster moet geschieden met inachtneming van het bepaalde in artikel 118 Rv., en tevens moet daarin worden vermeld dat, ook indien zij niet verschijnt in de procedure, zij wel door de uitspraak, voor zover deze een processueel ondeelbare rechtsverhouding betreft, gebonden is.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over de verdeling van een erfenis, over het beheer van een nalatenschap of over het afleggen van rekening en verantwoording, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.