Van onze advocaat verdeling erfenis. De Rechtbank Limburg heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de verdeling van een nalatenschap, waarbij een ontruimingsverzoek door de erfgenamen was ingesteld van de verpachte grond.
Vordering ingesteld door een aantal erfgenamen, om tot ontruiming van een negental percelen door een betwist pachter en een betwist gebruiker te geraken, en vervolgens deze percelen, vrij van pacht, te kunnen leveren aan kopers, zodat een langslepende verdeling van een nalatenschap kan worden bewerkstelligd.
De posities van gedaagden zijn zo verschillend van elkaar dat de voorzieningenrechter het gevorderde ten opzichte van elke gedaagde afzonderlijk zal beoordelen, waarbij als eerste zal worden beoordeeld de vordering van eisers tegen gedaagde.
Verdeling nalatenschap. Pacht van grond. Ontruiming? Verkoop van de grond, vrij van pacht?
De rechter oordeelt als volgt.
Uit hetgeen hiervoor onder 2 sub e en f is vermeld, blijkt dat gedaagde in elk geval vanaf 2014 tot en met 2017 de grond met toestemming van één of meer van de eisers heeft gebruikt ter uitoefening van de landbouw in de zin van art. 7:311 BW.
In de jaren 2014 tot en met 2016 is in strijd met het pachtrecht kennelijk geen schriftelijke overeenkomst gesloten.
Eisers hebben voor wat betreft het jaar 2017 overgelegd een volgens hen door gedaagde ondertekende gebruiksovereenkomst voor het jaar 2017, die is goedgekeurd door de Grondkamer.
Gedaagde heeft, nadat hem de betreffende overeenkomst ter zitting van 15 mei 2018 is voorgehouden, zonder enig voorbehoud stellig ontkend dat de handtekening die voor de zijne moet doorgaan onder die betreffende overeenkomst door hem is gezet.
Hij heeft letterlijk verklaard dat die handtekening niet door hem is gezet en niet van hem afkomstig is.
Dit betekent dat er op grond van art. 159 Rv niet van kan worden uitgegaan dat gedaagde met een of meer eisers voor het jaar 2017 een schriftelijke seizoenpachtovereenkomst heeft gesloten.
Eisers hebben wat de ondertekening door gedaagde betreft nog gewezen op de als productie bij dagvaarding overgelegde e-mailwisseling. Uit die e-mailwisseling blijkt niet dat gedaagde op de betreffende berichten aan hem heeft gereageerd. Evenmin is in die e-mailwisseling vermeld dat en wanneer (een der) eisers zouden hebben gezien dat gedaagde wel de handtekening heeft gezet. Er zijn al met al dan ook onvoldoende aanwijzingen om er in dit kort geding van uit te kunnen gaan dat de handtekening is gezet door gedaagde.
In dit kort geding staat wel vast dat gedaagde in elk geval met ingang van 1 januari 2014 gedurende vier aaneengesloten jaren de grond heeft gebruikt ter uitoefening van de landbouw.
Eveneens staat vast dat hij in elk geval voor de jaren 2014, 2015 en 2016 voor dit gebruik een tegenprestatie in geld heeft betaald.
Uit deze vaststaande elementen moet worden afgeleid dat sprake is van een pachtovereenkomst tussen gedaagde en (een aantal) eisers.
Het beschermingsregime dat de pachter krachtens titel 7.5 BW toekomt, maakt dat eisers, ook omdat niet alle rechthebbenden op de grond in deze procedure zijn betrokken, niet met een beroep op de beheersregeling in titel 3.7 BW met succes kunnen aanvoeren dat sprake is van verboden beschikken.
De voorzieningenrechter weegt hierbij ook mee dat tenminste al vanaf 2000 sprake is van een onverdeelde boedel, waarin de erfgenamen maar niet tot verdeling kunnen komen.
Nu landbouwgrond niet lang ongebruikt kan blijven liggen terwijl de verdeling van de onderhavige boedel nog lang kan duren – zie de in 2014 aangevangen bodemprocedure – kan het sluiten van een pachtovereenkomst een daad van beheer zijn.
De dwingendrechtelijk artikelen in titel 7.5 BW die de pachter bescherming bieden, brengen met zich dat gedaagde in beginsel niet kan worden gehouden aan zijn belofte om geen pacht te claimen.
Evenmin kan in de onderhavige feitelijke situatie, waarin niet alle erfgenamen als eisers optreden, enig rechtsgevolg worden verbonden aan de wetenschap bij gedaagde dat er erfgenamen zijn die de grond niet willen verpachten.
Ook hier moet worden meegewogen het feit dat niet alle erfgenamen eensgezind de onderhavige ontruimingsvordering hebben ingesteld.
Voor zover toepassing van het dwingendrechtelijke beschermingsregime ten behoeve van de pachter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid al onaanvaardbaar kan zijn, zijn feiten die een dergelijk oordeel kunnen dragen niet voldoende komen vast te staan.
Eén en ander moet mede worden bezien in het licht van het feit dat het grondgebruik door gedaagde aan hem economische bestaanszekerheid verschaft.
Het ontruimingsbelang van eisers weegt aanmerkelijk minder zwaar, ook omdat zij niet alle erfgenamen vertegenwoordigen.
Uit al het vorenstaande wordt afgeleid dat het er voorshands voor moet worden gehouden dat gedaagde een mondelinge pachtovereenkomst heeft gesloten met (één of meer) eisers.
Deze pachtovereenkomst geldt vooralsnog op grond van art. 7:322 BW voor onbepaalde tijd.
De vordering tot ontruiming tegen gedaagde zal daarom worden afgewezen.
Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat gedaagde inmiddels beslagen heeft gelegd. De vordering om hem te verbieden in de toekomst beslag te leggen, is niet zodanig met voldoende voorshands vaststaande feiten onderbouwd dat deze kan worden toegewezen.
Wat dat betreft moet het ervoor worden gehouden dat een vordering tot opheffing van eventueel door gedaagde in de toekomst te leggen beslag zodanig voortvarend door de rechtbank kan worden behandeld dat niet kan worden vastgesteld dat eisers thans een zodanig zwaarwegend belang hebben bij een beslagverbod dat hun vordering zou moeten worden toegewezen. De vordering ter zake het beslag wordt dus volledig afgewezen.
Het feit dat gevoegde partijen met eisers een koopovereenkomst en/of een pachtovereenkomst hebben gesloten, regardeert gedaagde, die blijkens het vorenstaande eveneens een pachtovereenkomst heeft gesloten, niet. Ook die feitelijkheden kunnen dus niet leiden tot toewijzing van de vordering.
Gedaagde heeft niet aangevoerd dat eisers niet de bevoegdheid zouden hebben om als eigenaars ontruiming te vorderen. Dit betekent dat hij zal moeten aantonen dat hij een gebruiksrecht heeft dat met succes aan de ontruimingsvordering kan worden tegengeworpen.
Gedaagde heeft wat dit betreft aangevoerd dat hij met zijn moeder een koopovereenkomst heeft gesloten waarbij hij haar aandeel in de grond heeft gekocht. Levering heeft niet plaatsgevonden, dus het door hem gestelde gebruiksrecht kan niet op eigendom rusten.
Gedaagde is geen erfgenaam en kan dus wat het gebruik van de grond betreft geen succesvol beroep doen op art. 3:169 BW.
Zijn stelling “met alle erfgenamen gecommuniceerd” te hebben over zijn ingebruikname houdt zonder nadere, maar niet gegeven toelichting niet in dat hij met de erfgenamen gebruik van het thans door hem gebruikte grondstuk is overeengekomen.
Voor zover gedaagde zich beroept op het vonnis van 21 december 2016 faalt dit beroep omdat hij geen partij is geweest bij het geding leidende tot dat vonnis. Uit het vonnis blijkt verder evenmin dat hij anderszins gebruiksrechten heeft verkregen op grond van dit vonnis of voortvloeiend uit dit vonnis.
Uit het vorenstaande blijkt dat gedaagde voorshands niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een titel heeft voor gebruik van de grond. De ontruimingsvordering tegen hem ligt dus voor toewijzing gereed, waarbij hem een redelijke ontruimingstermijn zal worden gegund en de dwangsom zal worden gematigd.
Eisers behoeven geen machtiging van de voorzieningenrechter om het toe te wijzen bevel tot ontruiming zo nodig af te dwingen.
De in de wet aan de deurwaarder verleende bevoegdheden tot reële executie (artikelen 555 e.v. Rv in verbinding met artikel 444 Rv) worden toereikend geacht, zodat eiseres bij een afzonderlijke machtiging geen belang heeft.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over onroerend goed in een nalatenschap, over huur en pacht in het erfrecht of over de verkoop van onroerend goed uit een nalatenschap, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.