Van onze advocaat verdeling erfenis. De Rechtbank Limburg heeft op 7 februari 2018 uitspraak gedaan over de vraag of twee bankrekeningen tot de nalatenschap behoorden.

De voorzieningenrechter beveelt dat in een geschil tussen twee erfgenamen over de wijze waarop gedaagde (aangeduid als “penningmeester”) beheer voert over een tweetal bankrekeningen, die betrekking hebben op een nog te verdelen nalatenschap, de overige erven op de voet van artikel 118 Rv in het geding moeten worden geroepen door eiseres, nu dezen ook deelgerechtigd zijn tot die rekeningen.

Gedaagde fungeerde volgens eiseres sedert 2011, met medeweten van alle andere erven, als “penningmeester” inzake de nalatenschappen van vader en moeder en de daartoe behorende inkomsten, en beheerde aldus de voormelde rekeningen. Alle uitgaven en inkomsten werden steeds door haar voorgelegd aan de erven en dan (wat de uitgaven betreft) goed- of afgekeurd.

Nadat de erven die als eisers zijn opgetreden in de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 21 december 2016, niet meer door dezelfde advocaat werden vertegenwoordigd en één van hen hoger beroep tegen dat vonnis had ingesteld, is er volgens eiseres onenigheid ontstaan over het beheer van de gelden op de bedoelde rekeningen.

Sedertdien beheert gedaagde die rekeningen volgens eiseres geheel zelf, zonder daarbij ruggenspraak te houden met de overige erven.

Ook indien zij daartoe geen toestemming had gekregen van de overige erven, boekte gedaagde bedragen naar derden over, aldus eiseres.

Gedaagde heeft onder andere een nieuw taxatierapport ten aanzien van de negen percelen laten opstellen door taxateur, waarmee € 1.960,- was gemoeid, en daarnaast heeft zij de rekeningen van de advocaat van een van de erfgenamen in verband met het bedoelde hoger beroep betaald.

Eiseres stelt niet te weten wat er met de bankrekeningen gebeurt.

Omdat de bankrekeningen op naam van gedaagde staan, heeft eiseres geen toegang tot die bankrekeningen en de afschriften daarvan.

Omdat de rekeningen worden gebruikt in het kader van het beheer van de bedoelde negen percelen, die nog deel uitmaken van de nog niet geheel verdeelde nalatenschap, gaat het volgens eiseres om gezamenlijke rekeningen.

Het enige doel van de rekeningen is ook het beheer van de gelden die door de percelen worden gegenereerd.

Op grond van artikel 3:172 BW moeten de vruchten en voordelen van een gemeenschappelijk goed ook naar evenredigheid gedeeld worden.

De erven zijn volgens eiseres dan ook gemeenschappelijk bevoegd tot de gelden die op beide bankrekeningen staan.

Eiseres heeft de toestemming aan gedaagde om over de bedoelde bankrekeningen te beschikken op 8 maart 2017 ingetrokken, door middel van een e-mail van haar zoon aan gedaagde, en heeft gedaagde verzocht om de saldi van beide rekeningen over te boeken op een bankrekening ten name van de erven en daarover niet meer zelf te beschikken.

Desondanks blijft gedaagde volgens eiseres over die rekeningen beschikken.

Verdeling nalatenschap. Vallen de bankrekeningen in de nalatenschap?

Ten aanzien van vordering overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Nu zulks niet door gedaagde wordt betwist, moet ervan worden uitgegaan dat de twee hierboven genoemde bankrekeningen (onder andere) gevoed worden met de financiële opbrengsten (pachtopbrengsten) van de negen percelen, die behoren tot de nog resterende onverdeelde nalatenschap van vader, en dat deze rekeningen voorts worden gebruikt voor het betalen van de kosten van het beheer van die percelen.

De rekeningen behoren op grond daarvan net als de negen percelen tot de niet-verdeelde nalatenschap waartoe de erfgenamen gerechtigd zijn.

Het gevorderde raakt derhalve niet alleen de positie van gedaagde als “penningmeester” over die rekeningen, doch ook de positie van de overige deelgenoten/erfgenamen, omdat ook zij deelgerechtigd zijn tot die rekeningen.

Toewijzing van het gevorderde zou betekenen dat wordt verhinderd dat betalingen worden gedaan, hetgeen de belangen van de overige erfgenamen eventueel kan schaden.

De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat zij geen oordeel kan geven over het gevorderde voordat de overige deelgerechtigden (de overige erfgenamen), in staat zijn gesteld hun standpunt over het gevorderde kenbaar te maken.

De voorzieningenrechter zal derhalve eiseres op de voet van artikel 118 Rv gelasten de overige erfgenamen bij exploot en met inachtneming van het in dat artikel bepaalde op te roepen tegen na te melden zitting en aan die oproeping te hechten een afschrift van de inleidende dagvaarding, de “conclusie van antwoord” die gedaagde heeft genomen en dit vonnis.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over de legitieme of over het kindsdeel, over de taken en bevoegdheden van een executeur, over het verlenen of intrekken van een machtiging of volmacht of over een gezamenlijke bankrekening in een nalatenschap, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.