Van onze advocaat verdeling erfenis. De Rechtbank Midden-Nederland heeft op 20 maart 2017 uitspraak gedaan over de vereffening van een nalatenschap, over de schulden van de nalatenschap en de verdeling van de nalatenschap.

De vereffening van de nalatenschap

Ten aanzien van het verzoek van verzoeker tot opheffing van de vereffening overweegt de kantonrechter dat op grond van artikel 4:209 lid 1 BW een dergelijk verzoek kan worden toegewezen indien de geringe waarde der baten van de nalatenschap daartoe aanleiding geven. Aangezien de nalatenschappen ruimschoots positief zijn, wordt niet voldaan aan dat wettelijk criterium. De kantonrechter zal dit verzoek afwijzen.

Ook het verzoek van verzoeker tot ontslag van de vereffenaar wegens gewichtige redenen zal worden afgewezen. Verzoeker betoogt ter onderbouwing van haar verzoek dat, kort gezegd, de vereffening voltooid is, zodat de vereffenaar geen taak meer heeft.

Dat betoog treft geen doel. De vereffening is eerst voltooid nadat de bekende schuldeisers van de nalatenschap zijn voldaan, waarna de vereffenaar overgaat tot afgifte van het overschot aan de erfgenamen, of indien de erfgenamen het niet eens worden, aan de Staat op grond van artikel 4:226 BW. Zover is het nog niet.

Verzoeker heeft haar verzoek om een verklaring voor recht dat na uitbetaling van de gelden aan de erven de zaak is beëindigd, met bevel aan de vereffenaar tot afgifte van de gehele administratie van erflater en erflaatster aan verzoeker niet nader onderbouwd. Zonder nadere onderbouwing, welke ontbreekt, is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen niet duidelijk wat een verklaring voor recht nog toevoegt aan het wettelijk systeem van de vereffening. Ook heeft verzoeker niet toegelicht waarom de administratie nu juist aan haar moet worden afgegeven: in beginsel hebben alle erfgenamen evenveel recht op de administratie. Dit verzoek zal worden afgewezen.

Het verzoek tot bevel tot uitbetaling aan de erven van de gelden die de vereffenaar van de erven onder zich heeft conform de door verzoeker voorgestelde en hiervoor weergegeven verdeling wordt eveneens afgewezen. De verdeling maakt geen onderdeel uit van de uitdelingslijst, zodat het verzet geen betrekking op de verdeling kan hebben.

De vereffenaar heeft tot taak om, na het verbindend worden van de uitdelingslijst, aan ieder van de schuldeisers van de nalatenschap uit te keren waar hij volgens de uitdelingslijst recht op heeft (artikel 4:220 lid 1 BW).

De schulden van de nalatenschap

Schuldeisers van de nalatenschap zijn zij die gerechtigd zijn tot een vordering die aan de passiefzijde is aan te merken als een schuld van de nalatenschap. Welke schulden als schulden van de nalatenschap worden aangemerkt wordt bepaald door artikel 4:7 lid 1 BW:

Schulden van de nalatenschap zijn:

  1. de schulden van de erflater die niet met zijn dood tenietgaan, voor zover niet begrepen in onderdeel i;
  2. de kosten van lijkbezorging, voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene;
  3. de kosten van vereffening van de nalatenschap, met inbegrip van het loon van de vereffenaar;
  4. de kosten van executele, met inbegrip van het loon van de executeur;
  5. de schulden uit belastingen die ter zake van het openvallen der nalatenschap worden geheven, voor zover zij op de erfgenamen komen te rusten;
  6. de schulden die ontstaan door toepassing van afdeling 2 van titel 3;
  7. de schulden ter zake van legitieme porties waarop krachtens artikel 80 aanspraak wordt gemaakt;
  8. de schulden uit legaten welke op een of meer erfgenamen rusten;
  9. de schulden uit giften en andere handelingen die ingevolge artikel 126 worden aangemerkt als legaten.

Alleen de in artikel 4:7 lid 1 BW genoemde schulden komen in beginsel voor opname in de uitdelingslijst in aanmerking. Tot de schulden van de nalatenschap behoren niet de (aanspraken op) aandelen in de nalatenschap van de erfgenamen. Evenmin behoren tot de schulden van de nalatenschap de vorderingen van erfgenamen jegens elkaar.

De verdeling van de nalatenschap

De verdeling van de nalatenschap vindt pas plaats nadat de uitkering aan de schuldeisers heeft plaatsgevonden en de vereffening met een overschot is geëindigd. De vereffenaar dient er in dat geval, op grond van artikel 4:226 lid 2 BW, zorg voor te dragen dat de nalatenschap wordt verdeeld. Het is niet de taak van de vereffenaar om zelf te verdelen.

De berekening van de uitkering aan de erfgenamen die als bijlage bij de uitdelingslijst is gevoegd, is gelet daarop niet meer dan een voorstel van de vereffenaar om tot verdeling te komen. Zoals hiervoor is overwogen kan het verzet dan ook geen betrekking hebben op dat verdelingsvoorstel.

Voor zover het verzet zich richt tegen de betwisting door de vereffenaar van de vorderingen is het ongegrond. De aldaar bedoelde kosten zijn gemoeid met de juridische bijstand in opdracht en ten behoeve van de aldaar genoemde individuele verzoekers, dan wel betreffen kosten welke in dat verband door die verzoekers zelf zijn gemaakt.

Dergelijke kosten zijn niet aan te merken als schulden van de nalatenschap: anders dan de betreffende verzoekers betogen, behoren die kosten niet tot de kosten van vereffening.

De kosten van vereffening zijn van gelijke aard als de boedelschulden bij faillissement.

Ten aanzien van die laatstgemelde schulden geldt (zie Hoge Raad 19 april 2013, Koot/Tideman q.q., HR:2013:BY6108) dat op grond van de wet boedelschulden slechts die schulden zijn die een onmiddellijke aanspraak geven jegens de faillissementsboedel hetzij ingevolge de wet (bedoeld worden in de wet expliciet genoemde vorderingen zoals de huurvordering opgekomen tijdens de opzegperiode van artikel 39 Faillissementswet), hetzij omdat zij door de curator in zijn hoedanigheid zijn aangegaan, hetzij omdat zij een gevolg zijn van een handelen van de curator in strijd met een door hem in zijn hoedanigheid na te leven verbintenis of verplichting. Onder het aangaan van een schuld door de curator in deze zin is te verstaan dat de curator deze schuld op zich neemt bij een rechtshandeling, doordat zijn wil daarop is gericht (artikel 3:33 en 3:35 BW).

De uit het arrest Koot/Tideman q.q. volgende regeling voor de boedelschulden bij faillissement is van overeenkomstige toepassing op de kosten van de vereffening.

De vorderingen geven geen aanspraak op de nalatenschap: zo’n aanspraak vloeit niet voort uit de wet, de (rechts)handelingen waaruit de vorderingen voortvloeien zijn niet door de vereffenaar aangegaan of verricht en zijn evenmin het gevolg van een handelen van de vereffenaar in strijd met een door hem in zijn hoedanigheid na te leven verbintenis of verplichting.

Ook voor zover het verzet zich richt tegen de betwisting door de vereffenaar van de vorderingen is het ongegrond. Die vorderingen betreffen door verzoekers vermeend gederfde rente wegens het te laat ontvangen van hun voorschotten en het tijdelijk opnemen van executeursloon. Ook die vorderingen zijn niet aan te merken als schulden van de nalatenschap: het zijn vermeende vorderingen van erfgenamen onderling. Of die vorderingen bij de verdeling moeten worden rechtgetrokken is aan de erfgenamen.

De overige vorderingen betreffen vorderingen tot schadevergoeding van de verzoekers jegens de voormalige executeurs. Ook die vorderingen behoren niet tot een in artikel 4:7 lid 1 BW genoemde categorie schulden. Het verzet wordt voor zover het deze vorderingen betreft afgewezen.

Ten aanzien van de betwiste vorderingen van één van de voormalige executeurs overweegt de kantonrechter als volgt. Deze kosten vallen onder de kosten van executele genoemd in artikel 4:7 lid 1 aanhef en sub d BW.

De andere vordering valt onder de kosten van lijkbezorging als bedoeld in artikel 4:7 lid 1 aanhef en sub b BW, althans voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledenen.

Verzoekers hebben niet gesteld dat de kosten waarop hun verzet ziet niet in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledenen. Zij maken bezwaar tegen deze kosten omdat zij zich, kort gezegd, niet dan wel niet genoeg bij de keuze van de grafsteen en de bedankkaartjes betrokken voelen. Daar gaat het niet om: het gaat er slechts om of de kosten in overeenstemming zijn met de omstandigheden van hun ouders. Hun betoog dat er ook goedkopere varianten grafsteen gekozen hadden kunnen worden, slaagt om die reden evenmin: de gedane uitgave moet gelet op (wat ouderwets gezegd:) stand en aanzien van de overledenen passend zijn. De wet verplicht niet tot de goedkoopste oplossing.

Gelet op het batig saldo van de nalatenschap van ongeveer 1,4 miljoen euro (volgens de uitdelingslijst) en de daaruit af te leiden stand en aanzien van verzoekers ouders zijn de kosten van het grafmonument van in totaal € 4.583,00 en van de bedankkaartjes van in totaal € 295,98 bepaald niet als niet passend te beschouwen.

De kantonrechter ziet in hetgeen hiervoor is overwogen aanleiding om, op grond van artikel 4:210 lid 1 BW, de vereffenaar de volgende aanwijzing te geven:

  1. de vereffenaar dient uiterlijk acht weken na heden een definitieve uitdelingslijst aan de kantonrechter te overleggen, waarin (de financiële gevolgen van) de beslissingen in deze beschikking zijn verwerkt.
  2. uiterlijk zes weken na heden dient de vereffenaar een verzoek tot vaststelling van zijn loon in.
  3. de definitieve uitdelingslijst dient slechts weer te geven wat de omvang van de nalatenschap is en welk deel daarvan aan welke schuldeisers van de nalatenschap wordt uitgekeerd.
  4. de uitdelingslijst eindigt met de vermelding van het overschot van de nalatenschap.
  5. de aldus aangepaste uitdelingslijst wordt ter informatie aan de verzoekers gezonden. De vereffenaar stelt hen daarbij in de gelegenheid om hem, binnen vier weken na dagtekening van zijn brief waarbij de uitdelingslijst wordt toegezonden, schriftelijk en eensluidend te berichten op welke wijze de verdeling dient plaats te vinden.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u vragen over de vereffening van een erfenis, de schulden van de nalatenschap of over de verdeling van een erfenis, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.