Van onze advocaat verdeling erfenis. De Rechtbank Rotterdam heeft op 24 mei 2017 uitspraak gedaan over de vraag of sprake is van benadeling van de erfgenamen door een verkapte gift.

Erflaatster heeft vóór overlijden een pachtovereenkomst gesloten met één van erfgenamen en hem een aandeel van percelen geleverd. Is dit een verkapte gift als bedoeld in artikel 4:229 BW?

Eisers vorderen de vernietiging van de pachtovereenkomst en de levering aan gedaagde van het 13/22 aandeel van de percelen. Daartoe hebben eisers het volgende aangevoerd.

De pachtovereenkomst betreft een schijnhandeling die tot doel had gedaagde om niet, althans tegen een te lage tegenprestatie, in het bezit te stellen van de percelen. Dit blijkt uit de omstandigheden dat de percelen in strijd met artikel 7:312 BW niet worden gebruikt ter uitoefening van de bedrijfsmatige landbouw en de percelen in strijd met artikel 7:225 BW aan derden in onderpacht zijn uitgegeven voor het houden van paarden.

Als gevolg van de pachtovereenkomst in combinatie met de taxatie ad € 40.000,00 en de levering van de percelen om niet is gedaagde ongerechtvaardigd verrijkt ten koste van de mede-erfgenamen, die door deze rechtshandeling zijn benadeeld. Immers, met de levering is een belangrijk vermogensobject aan de nalatenschap van erflaatster onttrokken. Er is sprake van onverplichte rechtshandelingen, omdat erflaatster niet verplicht was de transactie uit te voeren. Gedaagde wist van de benadeling, omdat hij de genoemde koopprijs niet aan erflaatster heeft betaald en de werkelijke waarde van de percelen als gevolg van het gewijzigde bestemmingsplan vele malen hoger lag.

Eisers vorderen subsidiair een verklaring voor recht dat de pacht en de levering van de percelen dienen te worden aangemerkt als een verkapte gift en dat gedaagde de percelen dient in te brengen in de nalatenschap van erflaatster. Daartoe stellen eisers dat erflaatster met het sluiten van de pachtovereenkomst en de levering van de percelen de bedoeling had gedaagde te bevoordelen boven haar andere erfgenamen. Eisers leggen daaraan dezelfde omstandigheden ten grondslag als aan de primaire vordering tot vernietiging.

De advocaat van gedaagde heeft aangevoerd dat eisers niet bevoegd zijn tot het instellen van rechtsvorderingen tegen mededeelgenoten in een nog onverdeelde nalatenschap ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van deze onverdeelde nalatenschap. De gestelde schulden van gedaagde kunnen slechts ingevolge artikel 3:184 lid 1 BW worden betrokken in een verdelingsprocedure.

De rechtbank verwerpt de verweren. Dit geschil betreft de vernietiging van rechtshandelingen die voor het overlijden van erflaatster zijn verricht. Het betreft dus geen vordering in een nog onverdeelde nalatenschap.

Gedaagde betwist dat de pachtovereenkomst en de levering van de percelen voor vernietiging in aanmerking komen. Daartoe stelt gedaagde het volgende.

De pachtovereenkomst is in oktober 2000 aangegaan voor de duur van 6 jaar en daarna op grond van de wet met dezelfde termijn verlengd, met dien verstande dat de pacht feitelijk is geëindigd per november 2012 toen de percelen grond door erflaatster aan zijn verkocht. Gedurende de looptijd van de overeenkomst is uitvoering gegeven aan de pachtovereenkomst en is de pachtvergoeding betaald.

Aan de levering van de percelen ligt een rechtsgeldige mondelinge koopovereenkomst ten grondslag. De in die koopovereenkomst overeengekomen koopsom is bepaald op grond van het taxatierapport. Deze koopsom heeft gedaagde van erflaatster geleend bij overeenkomst van 23 november 2012. Terugbetaling van het geleende bedrag geschiedt door verrekening daarvan met de aanspraken van gedaagde op de nalatenschap van erflaatster.

Er is derhalve geen sprake van een onverplichte rechtshandeling. Ook blijkt niet van een vermoeden van benadeling van eisers.

Zowel eiseres als gedaagde betwisten dat sprake is van een verkapte gift, omdat geen sprake is van een gift die dient te worden ingebracht in de zin van artikel 4:229 BW.

Artikel 3:45 BW bepaalt dat indien een schuldenaar bij het verrichten van een onverplichte rechtshandeling wist of behoorde te weten dat daarvan benadeling van een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden het gevolg zou zijn, de rechtshandeling vernietigbaar is en kan de vernietigingsgrond worden ingeroepen door iedere door de rechtshandeling in zijn verhaalsmogelijkheden benadeelde schuldeiser, onverschillig of zijn vordering vóór of na de handeling is ontstaan.

Naar oordeel van de rechtbank hebben erflaatster en gedaagde met de levering van de percelen geen onverplichte rechtshandeling verricht. Gedaagde heeft de percelen van erflaatster gekocht voor een koopsom van € 32.500,00. Deze koopsom komt overeen met de getaxeerde waarde. Betaling van deze koopsom geschiedt door verrekening van dit bedrag met het aandeel in de nalatenschap van gedaagde. Uit de aangifte erfbelasting blijkt dat de nalatenschap een vordering heeft op gedaagde ter grootte van € 32.500,00. Eisers hebben nog aangevoerd dat deze koopprijs, gelet op de werkelijke waarde van de percelen, te laag was. Eisers hebben deze stelling onderbouwd door erop te wijzen dat als de bestemming van de percelen wijzigt de waarde van de percelen veel hoger zal worden en daarbij verwezen naar het taxatierapport van 11 maart 2013. Echter, niet gebleken is dat de bestemming van de percelen is gewijzigd, zodat de rechtbank aan deze stelling voorbij gaat.

Gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door gedaagde acht de rechtbank het ook niet aannemelijk dat de pachtovereenkomst enkel een schijnhandeling betreft. Daarvoor zitten onvoldoende aanknopingspunten in de processtukken.

Dit betekent dat het beroep van eisers op vernietiging van de pachtovereenkomst en van de levering van de percelen niet slaagt.

Eisers hebben aan hun subsidiaire vorderingen dezelfde omstandigheden ten grondslag gelegd als aan hun primaire vorderingen. De rechtbank heeft reeds bij de beoordeling van de primaire vorderingen onvoldoende aannemelijk geacht dat de waarde van het overgedragen onverdeelde aandeel in de percelen uitsteeg boven de koopprijs. Derhalve is er geen sprake van een verkapte gift. De rechtbank is bovendien met gedaagden van oordeel dat hier geen sprake is van inbrengverplichting voor zover de werkelijke waarde zou uitstijgen boven de afgesproken koopprijs, nu gesteld noch gebleken is dat erflaatster een dergelijke verplichting bij gift of testament heeft voorgeschreven, zoals artikel 4:229 lid 1 BW eist.

Dit betekent dat er geen verplichting van de zijde van gedaagde bestaat om ter zake van de levering in november 2013 van het onverdeelde aandeel in de percelen enig bedrag in de nalatenschap van erflaatster in te brengen. Ter zake van de schuldig gebleven koopsom geldt het bepaalde in artikel 4:228 BW.

Heeft u vragen over de verdeling van een erfenis, over giften of over de inbrengverplichting in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.