Van onze advocaat verdeling erfenis. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op15 augustus 2017 uitspraak gedaan over de verdeling van een nalatenschap van de ouders van partijen. Tussen de erfgenamen bestond onenigheid over de verdeling van de huuropbrengst, over pinpasopnames en een gift van een gouden armband.
Partijen zijn broers en zusters van elkaar. De vader van partijen is op 5 juni 2005 overleden zonder bij testament over zijn nalatenschap te hebben beschikt. Ingevolge artikel 4:13 BW heeft de moeder van partijen alle goederen van de nalatenschap van de vader verkregen, komt de voldoening van de schulden van die nalatenschap voor haar rekening en heeft ieder van partijen een geldvordering op de moeder verkregen overeenkomend met de waarde van zijn of haar erfdeel.
Op 7 oktober 2006 is de moeder van partijen (erflaatster) overleden zonder bij testament over haar nalatenschap te hebben beschikt. Zij heeft partijen als haar enige erfgenamen achtergelaten, ieder van hen voor een vijfde deel van haar nalatenschap. Tot de nalatenschap van de erflaatster behoort een woning die is verhuurd aan een derde.
Tussen partijen zijn geschillen gerezen over de afwikkeling van de nalatenschappen van hun ouders.
De grief richt zich tegen de verklaring voor recht van de rechtbank dat appellant 1 aan de boedel verschuldigd is het saldo van de met de kosten gesaldeerde huuropbrengsten van de genoemde woning over de periode van februari 2007 tot 1 juli 2015, zijnde € 31.200,-.
Het hof stelt aan de hand van de stukken en hetgeen partijen op de comparitie hebben verklaard het volgende vast.
De woning is van 1 februari 2007 tot 1 mei 2009 verhuurd geweest aan huurder 1 voor een huurprijs van € 480,- per maand. Vervolgens is de woning met ingang van 1 mei 2009 verhuurd aan huurder 2 voor een huurprijs inclusief servicekosten van € 575,- per maand.
Aanvankelijk had appellant 1 een volmacht van alle erfgenamen die mede ertoe strekte de huur van de woning te innen. Die volmacht is ingetrokken op 10 augustus 2010. Appellant 1 heeft de huur over de periode 1 februari 2007 tot 31 juli 2012 geïnd.
Vast staat dat aan huur is ontvangen in totaal € 50.400,-. De totale huurprijs over de periode 1 februari 2007 tot 1 mei 2017 bedraagt € 68.160,-, zodat nog een bedrag van € 17.760,- niet is geïnd of niet is verantwoord.
In hoger beroep is niet bestreden dat appellant 1 een bedrag van €11.000,- heeft voldaan ter zake van kosten die verband houden met de woning.
In hoger beroep is evenmin bestreden dat appellant 1 aan appellant 2, geïntimeerde 2 en geïntimeerde 3 ieder uit de huuropbrengsten een bedrag van € 2000,- heeft voldaan.
De deelgenoten delen naar evenredigheid van hun aandelen (ieder voor een/vijfde) in de huuropbrengsten en moeten in dezelfde evenredigheid bijdragen tot de uitgaven die ten behoeve van de woning zijn gedaan (artikel 3:172 BW). Dit leidt over en weer tot de volgende vorderingen tussen partijen.
Appellant 1 heeft per saldo € 22.465,- van de huuropbrengst onder zich (€ 33.465 – € 11.000). Hij dient aan ieder van de andere erfgenamen een bedrag van € 4.493, te voldoen. Aan appellant 2, geïntimeerde 2 en geïntimeerde 3 heeft hij al een voorschot uit de huuropbrengsten betaald van € 2000,-.
Appellant 2 heeft € 7.910,- van de huuropbrengst onder zich. Hij dient aan ieder van de andere erfgenamen een bedrag van € 1.582,- te voldoen.
Geïntimeerde 1 heeft tot 1 mei 2017 € 8.625,- van de huuropbrengst onder zich. Hij dient aan ieder van de andere erfgenamen een bedrag van € 1.725,- te voldoen. Hij dient vanaf 1 mei 2017 aan ieder van de andere erfgenamen telkens een/vijfde van de door hem per maand te ontvangen huurpenningen te betalen.
De laatste grief behelst dat appellant 1 en appellant 2 anders dan de rechtbank heeft geoordeeld hun stelling dat geïntimeerde 2 zich de gouden armbanden van moeder ter waarde van € 8.000,- heeft toegeëigend en dat zij twee keer € 1.000,- heeft opgenomen (pinopname) afdoende hebben bewezen. Zij vorderen een verklaring voor recht dat geïntimeerde 2 is overbedeeld voor € 10.000,-.
Op de comparitie heeft geïntimeerde 2 verklaard dat zij, toen vaststond dat de erflaatster zou overlijden, bedragen ter grootte van € 2.000,- heeft opgenomen van de bankrekening van de erflaatster en dit aan appellant 1 heeft gegeven met de bedoeling daarmee de uitvaart van de erflaatster in Turkije te betalen.
Appellant 1 betwist dit bedrag ooit te hebben ontvangen. Geïntimeerde 1 heeft desgevraagd verklaard dat zijn zus (geïntimeerde 2) dit geld heeft opgenomen, maar dat hij niet heeft gezien dat zij dat bedrag aan appellant 1 heeft gegeven. Hij gaat wel ervan uit dat zij dit heeft gedaan. Nu geïntimeerde 2 erkent dat zij een bedrag van € 2.000,- van de bankrekening van erflaatster heeft opgenomen rust op haar de bewijslast van haar stelling dat zij dit geld vervolgens aan haar broer (appellant 1) heeft gegeven.
Nu deze haar stelling betwist en zij geen aanbod doet om dit te bewijzen, zal het hof daaraan voorbijgaan en oordelen dat zij dit bedrag aan de nalatenschap schuldig is en dat deze schuld op de voet van artikel 3:184 en 4:228 BW bij de verdeling op haar aandeel moet worden toegerekend.
Geïntimeerde 2 heeft desgevraagd ten aanzien van de gouden armbanden verklaard als volgt. Erflaatster heeft in het najaar van 2005 in verband met haar ziekenhuisopname aan haar vier dunne gouden armbanden in bewaring heeft gegeven. Toen geïntimeerde 2 haar die armbanden op een gegeven moment wilde teruggeven heeft erflaatster tegen haar gezegd: “Hou jij die armbanden maar bij je. Het is van jou en jij kunt daar voor onze nabestaanden iets mee doen.”
Het hof stelt voorop dat geïntimeerde 2 als degene die de armbanden houdt wordt vermoed deze armbanden voor zich zelf te houden en daarvan bezitter te zijn (artikel 3:109 BW). Zij wordt als bezitter voorts vermoed eigenaar van deze armbanden te zijn (artikel 3:119 lid 1 BW).
Het hof is gelet op hetgeen over en weer is gesteld ten aanzien van de armbanden en de hiervoor weergegeven omstandigheden van dit geval van oordeel dat het vermoeden dat geïntimeerde 2 eigenaar is zodanig is weerlegd dat zij haar gepretendeerde eigendomsrecht nader zal hebben te bewijzen (HR 17 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1398). Geïntimeerde 2 heeft evenwel geen daartoe strekkend bewijsaanbod heeft gedaan; het hof ziet geen aanleiding haar ambtshalve tot bewijslevering toe te laten. Daarmee is gegeven dat geïntimeerde 2 gehouden is de gouden armbanden aan de erfgenamen terug te geven. Van enige overbedeling van geïntimeerde 2 ten aanzien van deze gouden armbanden is geen sprake, nu gesteld noch gebleken is dat deze zijn verdeeld of dat daarvan verdeling is gevorderd. Het hof gaat ervan uit dat partijen de gouden armbanden alsnog in de verdeling zullen betrekken.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u vragen over de afwikkeling en verdeling van een erfenis, over mogelijke onrechtmatigheden bij de verdeling van een erfenis, of over gedane giften, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.