Van onze advocaat verdeling erfenis. De Rechtbank Noord-Nederland heeft op 9 augustus 2017 uitspraak gedaan over het bezwaar tegen een voorgenomen wijze van tegeldemaking van het bedrijf van de erflater.

De vereffenaar stelt een discretionaire bevoegdheid te hebben ter zake van de wijze van tegeldemaking van het bedrijf van de erflater. Hij is voornemens om het bedrijf van de erflater over te dragen aan verzoekster, mits zij de schulden bij Deutsche Bank Nederland / ABN AMRO Bank en ING Bank inclusief de lopende verplichtingen overneemt (onder vrijwaring van de overige erfgenamen), het risico draagt voor het fiscaal kunnen voortzetten van het bedrijf van de erflater (eveneens onder vrijwaring van de overige erfgenamen) en de betwiste vorderingen van haarzelf en haar partner laat vallen. Indien hierover niet binnen een door de rechter-commissaris te bepalen termijn overeenstemming zal worden bereikt, is de vereffenaar voornemens om over te gaan tot verkoop van het bedrijfspand middels een veiling dan wel een bedrijfsmakelaar.

De advocaat van verzoekster is van mening dat de tegeldemaking van het bedrijf van de erflater zal moeten geschieden door middel van een onderhandse verkoop aan haar, nu zij als voortzetter daarvan is aan te merken. Hiervoor heeft zij een redelijke prijs geboden. In het verzoekschrift heeft zij de voorwaarden waaronder zij het bedrijf van de erflater wenst over te nemen nader beschreven. Voor het bedrijfspand zal het getaxeerde bedrag van € 150.000,00 worden voldaan en voor de voorraden (die inmiddels niet meer aanwezig zijn) een bedrag van € 30.000,00. Voorts wenst verzoekster slechts de volgende schulden voor haar rekening te nemen: de fiscale claim op stille reserves in het bedrijfspand en de schuld aan Deutsche Bank Nederland / ABN AMRO Bank ad € 74.339,00. De schuld aan ING Bank wenst verzoekster om haar moverende redenen niet over te nemen; tevens dienen volgens haar de door het bedrijf van de erflater betaalde rentekosten na de overlijdensdatum in verband met deze schuld ad € 32.479,00 inclusief kosten betalingsverkeer op de door haar te betalen koopprijs in mindering te worden gebracht. Ook zullen verzoekster en haar partner afstand doen van hun betwiste vorderingen. De resultaten vanaf de overlijdensdatum wenst verzoekster tot slot te behouden en zelf op te geven als winst uit onderneming.

Ter zitting heeft verzoekster verklaard dat indien de geruisloze doorschuiving niet mogelijk zal blijken te zijn, zij bereid is om aanvullend een bedrag van € 30.000 aan de boedel te betalen.

De advocaat van belanghebbende heeft op zich geen bezwaar tegen de overdracht van het bedrijf van de erflater aan verzoekster, mits er een redelijke prijs door haar wordt betaald. Daarvan is volgens belanghebbende geen sprake. Het bedrijfspand is, nu de onroerendgoedmarkt weer aantrekt, meer waard dan het door haar geboden bedrag van € 150.000,00. In dat verband is belanghebbende ook bereid en in staat om het bedrijfspand over te nemen, waartoe hij nader met de vereffenaar in gesprek zou willen treden.

Het te gelde maken van goederen van de erfenis

In artikel 4:215 lid 1 BW is bepaald dat de vereffenaar de goederen van de nalatenschap te gelde maakt, voor zover dit voor de voldoening van de schulden der nalatenschap nodig is. Tussen partijen is niet in geschil dat deze noodzaak bestaat.

Voorts is in lid 2 van genoemd wetsartikel bepaald dat omtrent de keuze van de te gelde te maken goederen en de wijze van tegeldemaking de vereffenaar zoveel mogelijk in overleg met de erfgenamen treedt. Het bezwaar van verzoekster is gebaseerd op de stelling dat zij als voortzetter van de onderneming, zoals bedoeld in artikel 4:38 BW, in de gelegenheid dient te worden gesteld om het bedrijf van de erflater over te nemen tegen een geboden redelijke prijs. Hierover wordt in deze procedure de beslissing van de rechter-commissaris ingeroepen.

De rechter-commissaris oordeelt hierover als volgt. In de genoemde procedure is verzoekster weliswaar aangemerkt als voortzetter van de onderneming van erflater, maar het in die procedure door haar ingediende verzoek tot overdracht van de tot het bedrijf van de erflater behorende goederen is onherroepelijk afgewezen vanwege de complexe schuldensituatie van de erflater. Het gaat dan niet aan om vervolgens, door bezwaar te maken tegen de voorgenomen tegeldemaking van diezelfde goederen, eenzelfde voorkeurspositie jegens de vereffenaar af te dwingen. Naar het oordeel van de rechter-commissaris is de vereffenaar bij zijn keuze over de tegeldemaking van het bedrijf van de erflater dan ook vrij om te bepalen of hij al dan niet tot overdracht daarvan aan verzoekster over zal gaan. Daarbij dient de vereffenaar in de eerste plaats de belangen van de schuldeisers in acht te nemen.

Tijdens de behandeling ter zitting is gebleken dat de vereffenaar op zich niet onwelwillend staat tegenover de verkoop van het bedrijf van de erflater aan verzoekster tegen de door haar geboden prijs van € 150.000,00 voor het bedrijfspand en € 30.000,00 voor de voorraden. Ook met de overname van de fiscale claim en de schuld aan Deutsche Bank Nederland / ABN AMRO Bank, tegen aftrek van de daarvoor door verzoekster opgevoerde bedragen, kan de vereffenaar in beginsel instemmen. De impasse in de onderhandelingen lijkt hoofdzakelijk verband te houden met de schuld aan ING Bank, meer in het bijzonder met de vraag of de na de overlijdensdatum betaalde rente en kosten ter zake van de schuld aan ING Bank al dan niet in aftrek mogen worden gebracht. Partijen hebben ter zitting de rechter-commissaris uitdrukkelijk verzocht daarover een oordeel te geven.

Uit de vaststaande feiten volgt dat de schuld aan ING Bank tot het zakelijke vermogen van de erflater behoort, zodat (ook) de daaraan verbonden rente en kosten in beginsel als schulden van de nalatenschap moeten worden aangemerkt. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekster niet zelf deze rente en kosten betaald heeft, maar dat deze ten laste van de resultaten van het bedrijf van de erflater zijn voldaan.

In de onderhavige zaak doet zich evenwel de bijzondere situatie voor dat het bedrijf van de erflater na zijn overlijden is voortgezet door verzoekster, zonder dat door de erflater in die bedrijfsopvolging was voorzien. Daarbij heeft zij niet alleen gebruik gemaakt van de tot het bedrijf van de erflater behorende goederen, maar ook van niet tot de nalatenschap behorende middelen (zoals de door haar partner ter beschikking gestelde gelden), zonder dat de overige erfgenamen hier uitdrukkelijk mee hebben ingestemd.

Indien het bedrijf van de erflater direct na zijn overlijden (in 2011) gestaakt en geliquideerd zou zijn, dan zouden de rente en kosten ter zake van de schuld aan ING Bank naar alle waarschijnlijkheid niet zijn opgelopen tot zo’n dertigduizend euro; de nalatenschap zou dan immers veel eerder afgewikkeld zijn. De na de overlijdensdatum opgekomen rente en kosten staan dus in zodanig nauw verband met de voortzetting van het bedrijf van de erflater, dat het naar het voorshands oordeel van de rechter-commissaris het meest passend is dat verzoekster, als degene die feitelijk in haar eentje het bedrijf van de erflater heeft voortgezet, ook de kosten die daaraan verbonden zijn voor haar rekening neemt. Van dat laatste zou sprake zijn als zij de vanaf de overlijdensdatum behaalde resultaten mag behouden, waarop de rente en kosten al in mindering zijn gebracht.

Het staat de vereffenaar naar het oordeel van de rechter-commissaris onder deze omstandigheden vrij om niet in te stemmen met de aftrek van de rente en kosten ter zake van de schuld aan ING Bank, zoals hij dat tot op heden gedaan heeft. De rechter-commissaris snapt dat verzoekster er belang bij heeft om het bedrijf van de erflater voort te kunnen zetten, hetgeen mogelijk zou zijn als de vereffenaar haar voorstel/prijs zou accepteren, maar uit haar verzoek en het verhandelde ter zitting is niet gebleken dat de voorgenomen wijze van tegeldemaking nadelig(er) voor de boedel is.

De rechter-commissaris is voorts van oordeel dat aan de bezwaren van belanghebbende voorbij kan worden gegaan. Dat het bedrijfspand bij een verkoop middels een veiling dan wel een bedrijfsmakelaar daadwerkelijk aanmerkelijk meer zal opbrengen dan het thans door verzoekster geboden bedrag van € 150.000,00, is geenszins door hem aannemelijk gemaakt. Zo is gesteld noch gebleken dat soortgelijke bedrijfspanden onlangs voor een aanzienlijk hoger bedrag zijn verkocht. Verder is niet gebleken dat de verkoop van het bedrijfspand aan belanghebbende zelf gunstiger voor de boedel zal zijn. Hierbij neemt de rechter-commissaris in aanmerking dat aan belanghebbende niet de mogelijkheid van een geruisloze doorschuiving ten dienste staat, zodat de boedel in dat geval zeker geconfronteerd zal worden met een veel hogere fiscale claim. In dit verband acht de rechter-commissaris ook van belang dat de voorraden die ten tijde van de overlijdensdatum aanwezig waren in het kader van de normale bedrijfsuitoefening allang verkocht zijn, terwijl gesteld noch gebleken is dat belanghebbende desalniettemin bereid is om hiervoor ten minste het door verzoekster geboden bedrag van € 30.000,00 te betalen.

De slotsom is dat het verzochte zal worden afgewezen. Wel ziet de rechter-commissaris in het verzochte en het verhandelde ter zitting aanleiding om aanwijzingen te geven met betrekking tot de tegeldemaking van het bedrijf van de erflater als na te melden. Aan de te geven aanwijzingen zullen termijnen worden verbonden.

Voor het door de vereffenaar in zijn brief van 12 april 2017 gedane verzoek, om te bepalen dat de erfgenamen dienen mee te werken aan de liquidatie, ontruiming en verkoop, biedt de onderhavige procedure geen ruimte.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u vragen over de verdeling van een erfenis, over de vereffening van een erfenis of over het te gelde maken van goederen van de erfenis, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.