Van onze advocaat verdeling erfenis. Het Gerechtshof Den Haag heeft op 27 juni 2017 uitspraak gedaan over een verdeling van een nalatenschap tussen twee broers. Was sprake van afstand van recht of van rechtsverwerking?
Juridisch kader
Het hof overweegt als volgt. De legitieme portie is een vordering in geld op de gezamenlijke erfgenamen. Het betreft een schuld van de nalatenschap (artikel 4:7 lid 1 letter g BW). De executeur heeft tot taak de goederen van de nalatenschap te beheren en de schulden van de nalatenschap te voldoen die tijdens zijn beheer uit die goederen moeten worden voldaan (artikel 4:144 lid 1 BW). Een executeur die zijn taak met het oog waarop hem het beheer was opgedragen heeft volbracht, is bevoegd zijn beheer te beëindigen door de goederen ter beschikking van de erfgenamen te stellen (artikel 4:150 lid 1 BW).
Op grond van artikel 4:85 lid 1 BW vervalt de mogelijkheid om aanspraak te maken op de legitieme portie, indien de legitimaris niet binnen een hem door een belanghebbende gestelde redelijke termijn, en uiterlijk vijf jaren na het overlijden van de erflater, heeft verklaard dat hij zijn legitieme portie wenst te ontvangen. Het hof zal hierna de grieven gezamenlijk behandelen, nu deze zich daartoe lenen.
Broer 1 stelt zich op het standpunt dat hij niet onrechtmatig jegens broer 2 als legitimaris heeft gehandeld, omdat broer 2 afstand heeft gedaan van zijn recht op de legitieme, dan wel zijn recht een beroep te doen op de legitieme heeft verwerkt. Hij baseert zich daarbij met name op de tussen partijen gewisselde e-mails, alsmede op verklaringen van twee erfgenamen. Broer 2 heeft de stellingen van broer 1 gemotiveerd betwist.
Afstand van recht?
Tussen partijen is niet in geschil dat broer 2 aanspraak heeft gemaakt op zijn legitieme portie. De vraag die partijen verdeeld houdt is of broer 2 daar op enig moment afstand van heeft gedaan. Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat broer 2 afstand heeft gedaan van zijn recht op de legitieme portie. Het hof neemt de gronden van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne. Broer 1 heeft in hoger beroep geen feiten en omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel leiden.
Het hof volgt broer 1 niet in zijn klacht dat de rechtbank uit zijn in het bestreden vonnis geciteerde e-mail van 25 april 2011 te 18.27 uur aan broer 2 juist die passage heeft weggelaten waaruit zou blijken dat broer 1 ervan uit mocht gaan dat broer 2 afstand deed van zijn legitieme en dat – indien zulks niet het geval zou zijn – broer 2 maar contact met broer 1 had moeten opnemen.
In voormelde passage houdt broer 1 aan broer 2 voor dat, indien deze wenst te berusten in de laatste wil van zijn ouders en zijn ‘claim’ op de legitieme portie intrekt, het formeel noodzakelijk is dat broer 2 dit ook per brief aan broer 1 meedeelt in een ondertekende verklaring. Broer 1 vermeldt daarbij dat hij de kwestie formeel wenst af te handelen om de schijn van manipulatie zijnerzijds te vermijden. De laatste zin van voormelde e-mail luidt: ‘Je hebt mijn adres en ik zie jouw verklaring wel tegemoet.’
Gesteld noch gebleken is dat broer 2 op enig moment per brief een ondertekende verklaring naar broer 1 heeft gezonden waarin hij aangeeft afstand te doen van zijn legitieme portie. Nu aan de door broer 1 zelf gestelde formele vereisten niet is voldaan, valt niet in te zien waarom broer 2, zoals hij aanvoert, ervan mocht uitgaan dat broer 2 heeft afgezien van zijn aanspraak op de legitieme portie. Evenmin blijkt uit voormelde e-mail dat broer 1 broer 2 op de voet van artikel 4:85 BW een redelijke termijn heeft gesteld waarbinnen hij dient te verklaren zijn legitieme te willen ontvangen. De laatste zin van de e-mail volstaat daartoe niet.
Het hof is van oordeel dat het onder deze omstandigheden op de weg van broer 1 had gelegen, alvorens tot verdeling van het saldo van de nalatenschap(pen) over te gaan, bij broer 2 te verifiëren of deze daadwerkelijk afstand had gedaan van zijn legitieme portie. Dit geldt temeer nu broer 1 zijn functie voor het overige strikt en formeel opvatte, hetgeen onder meer blijkt uit de omstandigheid, dat hij in rechte de onwaardigheid om uit de nalatenschap(pen) voordeel te trekken van de eveneens onterfde tweelingzus van broer 2, aan de orde heeft gesteld. Het bevreemdt het hof dat broer 1 zich ten aanzien van zijn conclusie dat broer 2 afstand van zijn legitieme portie zou hebben gedaan, louter heeft verlaten op zijn eigen indrukken van de gewisselde e-mails, uitlatingen van de overige erfgenamen en de omstandigheid dat broer 2 volgens hem nimmer bij hem op een en ander is teruggekomen. Juist omdat de band tussen broer 2 en broer 1 ‘erg zwak was’, zoals broer 1 zelf aanvoert, had broer 1 zich actief dienen te vergewissen van het standpunt van broer 2 ter zake zijn legitieme portie. Of de e-mail van 25 april 2011 om 23.16 uur van broer 2 aan broer 1 deze laatste al dan niet heeft bereikt, en wat de overige erfgenamen al dan niet uit uitlatingen van broer 2 hebben begrepen, doet aan dit alles niet af en kan derhalve buiten bespreking blijven.
Rechtsverwerking?
Ten aanzien van de door broer 1 gestelde en door broer 2 betwiste rechtsverwerking overweegt het hof als volgt. Voor het aannemen van rechtsverwerking is enkel tijdsverloop of enkel stilzitten onvoldoende. Bovendien heeft de zwager van broer 2 bij e-mail van 2 november 2010 namens broer 2 een beroep gedaan op diens legitieme. Een dergelijk beroep is vormvrij en mag ook door een ander worden gedaan. Broer 2 heeft bij e-mail van 13 oktober 2014 – derhalve nog steeds tijdig binnen de wettelijke vervaltermijn van vijf jaar na het overlijden van erflater(s) – wederom aan broer 1 kenbaar gemaakt dat hij zijn ‘kindsdeel opeist’ en daarbij verwezen naar het eerdere bericht van 2 november 2010.
Van de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de wederpartij het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de gerechtigde zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de wederpartij in zijn positie onredelijk zou worden benadeeld in geval de gerechtigde zijn aanspraak alsnog geldend zou maken, is het hof niet gebleken. Het hof sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank daarover in het bestreden vonnis heeft overwogen en verwijst naar hetgeen hierboven reeds is overwogen. Hetgeen broer 1 in hoger beroep nog naar voren heeft gebracht, kan niet tot een ander oordeel leiden.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u vragen over de verdeling van een nalatenschap, het kindsdeel in een erfenis, of over afstand van recht of rechtsverwerking van de aanspraak op een erfdeel in een nalatenschap, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.