Van onze advocaat verdeling erfenis. De Rechtbank Noord-Holland heeft onlangs uitspraak gedaan over het toekennen van levenslang vruchtgebruik van een woning aan de langstlevende echtgenoot.
Het verzoek tot toedeling aan verzoekster van het vruchtgebruik van de woning en inboedel op de voet van artikel 4:29 BW is gegrond op de wet en is derhalve toewijsbaar. De erfgenaam zal dan ook moeten meewerken aan het vestigen van een recht van vruchtgebruik op de woning en de inboedel van de woning.
Ingevolge artikel 4:41 BW kan bij uiterste wilsbeschikking niet van het bepaalde in Afdeling 2, Titel 3, Boek 4 van het BW (artikelen 4:28 – 4:41 BW) worden afgeweken. Dit betekent dat bepalingen en voorwaarden in het testament die het recht op vruchtgebruik beperken (in de tijd of in gebruik) of verplichtingen opleggen die strijdig zijn met het ongestoord vruchtgebruik, geen werking hebben. Het verzoek van verzoekster om de bepaling in het testament die het vruchtgebruik in de tijd en in geval van hertrouwen van verzoekster beperken, zoals onder D. Legaten 1b onder 2 geformuleerd, voor niet geschreven te houden, zal worden toegewezen en behoeft derhalve geen inhoudelijke behandeling.
Verzoekster heeft verzocht om haar een onbeperkte verterings- en vervreemdingsbevoegdheid toe te kennen ten aanzien van de gehele nalatenschap. De kantonrechter zal eerst over dit verzoek beslissen ten aanzien van de goederen waarvan hierboven is bepaald dat verzoekster het vruchtgebruik geniet, namelijk de woning en de inboedel. Ten aanzien van het verzoek met betrekking tot de rest van de nalatenschap zal later beslist worden.
Krachtens artikel 4:23 lid 2 BW kan de bevoegdheid tot vertering en vervreemding worden toegekend indien de verzorgingsbehoefte van verzoekster dit nodig maakt. Van dit laatste is de kantonrechter echter niet overtuigd geraakt. Nu echter in het testament een beperkte vervreemdingsbevoegdheid is opgenomen, zal het recht tot vervreemding en vertering toegekend worden onder de voorwaarden zoals opgenomen in het testament onder 1 b. bepalingen vruchtgebruik sub 4.
Wat betreft het verzoek tot het toekennen van het recht aan verzoekster om de woning met een hypotheek te bezwaren is de kantonrechter van oordeel dat toekenning van dit recht zich niet verhoudt tot de in het testament neergelegde wens van erflater dat de woning zo snel mogelijk hypotheekvrij gemaakt zou worden. Het verzoek om de woning met een hypotheek te mogen bezwaren zal dan ook worden afgewezen.
Voor niet geschreven houden/deels nietig verklaren leden 3, 4, 6, 11, 12 en 13 onder Bepalingen vruchtgebruik van het testament
Toekennen levenslang vruchtgebruik woning aan langstlevende echtgenoot?
Zoals hiervoor overwogen is het recht van vruchtgebruik ex artikel 4:29 BW in beginsel onbeperkt, zodat het de rechthebbende dient vrij te staan van de woning en inboedel gebruik te maken op de wijze die haar goeddunkt. Voorts is in artikel 4:45 lid 1 BW bepaald dat voorwaarden of lasten in het testament die onmogelijk zijn te vervullen, of die in strijd zijn met de goede zeden, de openbare orde of een dwingende wetsbepaling, voor niet geschreven worden gehouden. Van de in de aanhef van deze alinea genoemde leden zijn de leden 11 en 12 niet verenigbaar met de rechten en bevoegdheden die verzoekster op grond van dwingende wetsbepalingen toekomen. De kantonrechter zal bepalen dat de bepalingen onder 11 en 12 voor niet geschreven zullen worden gehouden. Met betrekking tot lid 3 is al overwogen dat vervreemding met inachtneming van het bepaalde in het testament mogelijk is.
Bij de beoordeling van de vraag of de erfgenaam verplicht is mee te werken aan de verstrekking van een verzorgingsvruchtgebruik in de zin van artikel 4:30 BW dient, blijkens de tekst van dat artikel, rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden (Hoge Raad, 8 juni 2007, NJ 2008, 220, m.nt. mr. S. Perrick). Tot die omstandigheden dienen, mede gelet op hetgeen in artikel 4:33 lid 2 en lid 5 BW is bepaald, in ieder geval te worden gerekend:
– de omvang van het verzorgingsniveau dat in de gegeven omstandigheden als ‘passend’ kan worden aangemerkt;
– het eigen inkomen van verzoekster;
– het inkomen dat zij, mede gelet op haar leeftijd, werkervaring en opleiding, redelijkerwijs kan verwerven.
Voor de bepaling van het ‘passende verzorgingsniveau’ dient naar het oordeel van de kantonrechter mede acht geslagen te worden op het gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk, alsmede op de duur van de samenleving.
Echter, artikel 4:30 BW beoogt de langstlevende echtgenoot niet meer dan een vangnet te bieden in de vorm van een passende voorziening indien en voor zover de verzorging van die echtgenoot niet is gewaarborgd. Verzoekster kan derhalve geen aanspraak maken op onverkorte voortzetting van het oude leefpatroon (Parl. Gesch. Invoeringswet Boek 4, blz. 1723-1724). Voorts is in genoemd arrest bepaald dat rekening dient te worden gehouden met in redelijkheid te verwachten toekomstige ontwikkelingen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over de verdeling en afwikkeling van een erfenis, over het kindsdeel of over het vestigen van vruchtgebruik ten behoeve van de langstlevende echtgenoot, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.