Van onze advocaat verdeling erfenis. De Rechtbank Overijssel heeft op 2 augustus 2017 uitspraak gedaan over de noodzaak dat men eerst dient aan te tonen dat men erfgenaam is voordat een beroep op het recht op informatie over een erfenis of het recht op een boedelbeschrijving, gedaan kan worden.

Aan zijn vorderingen legt de advocaat van eiser, samengevat, ten grondslag dat hij ten behoeve van de boedelbeschrijving recht en spoedeisend belang heeft bij inzage in de nalatenschap van A, in ieder geval bestaande uit, per gedaagde rechtspersoon:

– de complete administratie over de afgelopen 5 jaar;

– het complete accountantsdossier over de afgelopen 5 jaar;

– het complete belastingdossier, inclusief aangiften, correspondentie en aanslagen over de afgelopen 5 jaar;

– alle openstaande schuldposities en crediteurenposten en correspondentie daaromtrent met schuldeisers/crediteuren van de rechtspersonen;

– alle aandeelhoudersbesluiten, vergaderingen, schriftelijk neergelegd in de laatste 5 jaar;

– alle niet geïnde debiteurenposities van de rechtspersonen en correspondentie daaromtrent.

De advocaat van eiser stelt dat gedaagde c.s. hem ten onrechte de hiervoor bedoelde inzage niet verstrekt waardoor hij als beneficiair erfgenaam niet in staat is om aan zijn wettelijke verplichting tot het opstellen van een boedelbeschrijving te voldoen. Eiser beroept zich daarbij op artikel 3:15j BW alsmede de artikelen 162 en 843a Rv.

Informatie over nalatenschap, boedelbeschrijving en het aantonen dat men erfgenaam is

De advocaat van gedaagde c.s. voert als meest verstrekkend verweer dat eiser in zijn vorderingen niet-ontvankelijk is. Daartoe heeft gedaagde c.s. aangevoerd dat in dit geval het Haags Erfrechtverdrag 1989 van toepassing is, dat volgens dit verdrag de nalatenschap van A wordt beheerst door Duits recht, dat op basis van dat recht (nog) niet is vastgesteld of eiser erfgenaam is – eiser heeft tot op heden nog geen “Erbschein” laten opstellen – en dat daarom onduidelijk is in welke hoedanigheid en op welke grond eiser de vorderingen heeft ingesteld.

Voorts heeft de advocaat van gedaagde c.s. naar voren gebracht dat ten aanzien van gedaagden de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toekomt en dat deze gedaagden voor de Duitse rechter hadden moeten worden gedagvaard. Ook betwist eiser dat gedaagde sub 1 als natuurlijk persoon/in privé procespartij is.

De voorzieningenrechter stelt vast dat eiser dit alles niet, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft weersproken. Naar voorshands oordeel dient gedaagde c.s. te worden gevolgd in diens standpunt dat de nalatenschap van A wordt beheerst door Duits recht en dat de beneficiaire aanvaarding in Nederland geen effect sorteert. Op de daartoe door gedaagde c.s. aangevoerde gronden – nog daargelaten de rechtsmacht ten aanzien van gedaagde – is eiser in zijn vorderingen niet-ontvankelijk.

Daargelaten het vorenstaande, stelt eiser zich op het standpunt dat hij bij zijn vorderingen een spoedeisend belang heeft door erop te wijzen dat de ING Bank ten laste van gedaagde heeft aangekondigd tot executie van eigendommen – waaronder diverse percelen bouwgrond – over te gaan, hetgeen zal leiden tot aanzienlijke schade voor de boedel van A. Gedaagde c.s. betwist dit. Volgens gedaagde c.s. behoort een en ander niet tot de taak van de aandeelhouder maar tot de taak van de bestuurder van gedaagde. Voorts betoogt gedaagde c.s. dat eiser ten aanzien van gedaagde in het geheel geen spoedeisend belang heeft gesteld. Voor zover eiser een spoedeisend belang mocht hebben, wijst gedaagde c.s. erop dat eiser als aandeelhouder van gedaagde, voor wat betreft de vorderingen tegen gedaagde– minder kostbare – middelen van Boek 2 BW ten dienste staan, waarbij overigens dan wel eerst moet vast staan dat eiser aandeelhouder van gedaagde is. Ook heeft gedaagde c.s. in dit verband nogmaals erop gewezen dat – naar Duits recht – tot op heden niet vast staat dat eiser de hoedanigheid van (beneficiair) erfgenaam heeft. Bovendien geldt er geen termijn voor het opstellen van een boedelbeschrijving en bestaat er geen sanctie als deze niet binnen een bepaalde termijn wordt opgesteld, aldus de advocaat van gedaagde c.s.

Nu eiser dit alles evenmin adequaat heeft weersproken, is van een spoedeisend belang van eiser bij het gevorderde in onvoldoende mate gebleken, zodat ook om die reden voorbij dient te worden gegaan aan de vorderingen van eiser.

Voor het overige hebben gedaagde inhoudelijk betoogd dat de vorderingen van eiser te ruim zijn geformuleerd, terwijl daar geen belang tegenover staat en/of een redelijk doel wordt gediend. Volgens gedaagde staat niet vast dat eiser valt te kwalificeren als erfgenaam, deelgenoot, vennoot of schuldeiser als bedoeld in artikel 3:15j BW, zodat eiser zich niet op die bepaling kan beroepen. Voor zover eiser zich op artikel 162 en/of 843a Rv kan beroepen, dienen volgens gedaagde de gevorderde stukken beperkt te blijven tot inzage en dienen de daarmee gepaard gaande kosten voor rekening van eiser te komen. Voorts stellen gedaagden dat eiser meerdere keren erop is gewezen dat hij eerst bij het Ambtsgericht Leer een “Erbschein” moet vragen waaruit blijkt dat hij erfgenaam is, dat zij – zolang deze verklaring er niet is – de door eiser gewenste informatie niet kunnen verschaffen en dat eiser daarmee zelf ervoor verantwoordelijk is dat bedoelde informatie niet aan hem ter inzage kan worden gegeven.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de verdeling of afwikkeling van een nalatenschap, over het recht op informatie over een erfenis of over het opstellen van een boedelbeschrijving, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.