Van onze advocaat verdeling erfenis. Het Gerechtshof Den Haag heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de uitleg van een testament. De vraag was of het testament duidelijk was in de aanwijzing van een erfgenaam.
De kern van het geschil tussen partijen is of appellant erfgenaam is in de nalatenschap van erflaatster die in 2014 is overleden (hierna te noemen: erflaatster).
Appellant is de tweede echtgenoot van erflaatster. Erflaatster is op 28 augustus 2012 na het maken van huwelijkse voorwaarden met appellant getrouwd. Uit de huwelijkse voorwaarden volgt dat sprake is van koude uitsluiting, derhalve een volledige scheiding van de vermogens waaraan geen enkel verrekenbeding is toegevoegd.
Geïntimeerden zijn de twee kinderen van erflaatster die geboren zijn uit het eerste huwelijk van erflaatster met de eerste echtgenoot. De eerste echtgenoot is overleden in 2005 (hierna te noemen: erflater).
Erflaatster en erflater hebben op 11 november 1980 bij testament over hun nalatenschap beschikt. De testamenten zijn over en weer gelijkluidend. De uiterste wil van beide echtgenoten bevat een ouderlijke boedelverdeling ex artikel 4:1167 Burgerlijk Wetboek (BW) (oud) waarbij de bescherming van de langstlevende echtgenoot naar de toen geldende maatstaven zo goed mogelijk werd geregeld.
De afstammelingen, zijnde geïntimeerden, zijn in de legitieme gesteld. Zij hebben een vordering in geld gekregen op de langstlevende ouder, te weten erflaatster. Over deze vordering is de langstlevende echtgenoot aan de afstammelingen een rente verschuldigd.
Uit de aangifte voor het recht van successie, gedaan naar aanleiding van het overlijden van erflater, zijn erflaatster en geïntimeerden niet uitgegaan van het testament van erflater. Het erfdeel van geïntimeerden in de nalatenschap van erflater is vastgesteld op een bedrag van € 34.790,- per persoon. In de visie van geïntimeerden is de vordering ter zake van hun erfdeel in de nalatenschap van erflater niet aan hen voldaan.
Erflaatster heeft in haar uiterste wil eveneens bepaald: “Voor het geval ik na of tegelijk in de zin der wet met mijn genoemde echtgenoot kom te overlijden, beschik ik als volgt: Ik bekrachtig bij deze de vererving van mijn nalatenschap volgens de bepalingen der wet voor vererving bij versterf.”
De rechter heeft in eerste aanleg overwogen: “Het feit dat het gezin van erflaatster ten tijde van het opmaken van het testament bestond uit de vader en de zoon en de dochter, betekent op zichzelf niet dat de uiterste wil kennelijk ook slechts die verhoudingen wenst te regelen. De gezinssamenstelling ten tijde van het opmaken van het testament is echter wel een belangrijke omstandigheid bij de uitleg van het testament.
Door in het testament één regeling te treffen, namelijk de vererving van de nalatenschap volgens de bepalingen van de wet voor vererving bij versterf, voor zowel de situatie dat erflaatster na de vader zou overlijden als de situatie dat zij tegelijk met hem zou overlijden, terwijl op dat moment de gezinssamenstelling was zoals hiervoor vermeld, heeft erflaatster kennelijk beoogd voor beide situaties de zoon en de dochter als haar erfgenamen aan te wijzen. Het testament van erflaatster moet daarom aldus worden uitgelegd dat de zoon en de dochter haar enige erfgenamen zijn. De vorderingen van partijen zijn gebaseerd op de onjuiste veronderstelling dat de echtgenoot van erflaatster mede-erfgenaam is en zullen daarom worden afgewezen.”
Uitleg van het testament
Het in 1980 verleden testament van erflaatster dient te worden uitgelegd aan de hand van de maatstaf van artikel 4:46 BW, nu erflaatster na de inwerkingtreding van het huidige erfrecht is overleden.
Artikel 4:46 BW luidt als volgt:
Lid 1 Bij de uitlegging van een uiterste wilsbeschikking dient te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen, en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt.
Lid 2 Daden of verklaringen van de erflater buiten de uiterste wil mogen slechts dan voor uitlegging van een beschikking worden gebruikt, indien deze zonder die daden of verklaringen geen duidelijke zin heeft.
Lid 3 Wanneer een erflater zich klaarblijkelijk in de aanduiding van een persoon of een goed heeft vergist, wordt de beschikking naar de bedoeling van de erflater ten uitvoer gebracht, indien deze bedoeling ondubbelzinnig met behulp van de uiterste wil of met andere gegevens kan worden vastgesteld.
Een uiterste wilsbeschikking is geen consensuele rechtshandeling. Voorts is de bemoeienis van de notaris verplicht (artikel 4:94 BW); dat verklaart dat de speelruimte bij uitleg beperkter is. Onder het oude recht werd de uitleg van uiterste wilsbeschikkingen beheerst door drie hoofdregels neergelegd in art. 4:932-933 BW (oud). Aan uitleg werd slechts toegekomen indien de bewoordingen onduidelijk waren. Dit vereiste vindt men nu terug in art. 4:46 lid 1 BW.
Bij de uitlegging van een uiterste wil op de voet van artikel 4:46 BW is niet de maatstaf de zuiver grammaticale methode, waarbij uitsluitend wordt nagegaan welke betekenis de in de uiterste wil opgenomen bewoordingen op zichzelf genomen hebben, doch dient rekening te worden gehouden met de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen en de omstandigheden waaronder deze is verleden. De te regelen verhoudingen en de omstandigheden waaronder als bedoeld in lid 1, hoeven niet uit het testament te blijken.
In het kader van de uitleg van een uiterste wil is van belang dat er twee fasen worden onderscheiden. In de eerste fase dient te worden vastgesteld of de uiterste wil van erflaatster onduidelijk is. Nadat is vastgesteld dat de uiterste wil onduidelijk is, dient in de tweede fase vastgesteld te worden wat erflaatster heeft bedoeld.
Het feit dat erflaatster op hoge leeftijd met appellant trouwt, na het maken van huwelijkse voorwaarden waarbij elke vermogensvermenging is uitgesloten, kan een omstandigheid zijn waardoor de uiterste wil van erflaatster onduidelijk wordt. De uiterste wil van erflaatster is in 1980 immers onder geheel andere omstandigheden tot stand gekomen. Zij was toen met erflater getrouwd en tot het gezin van erflaatster behoorden eveneens geïntimeerden.
Relevant is wat erflaatster in 1980 beoogd heeft te willen regelen na haar overlijden. Op de omstandigheid waaronder erflaatster haar uiterste wil heeft gemaakt, moet worden gelet omdat haar daarbij verklaarde wil een reactie op die omstandigheid is. Toen heeft zij willen regelen de positie van haar eerste echtgenoot en haar kinderen. Die wil kan echter niet beïnvloed worden door een posterieure gebeurtenis, behalve als erflaatster het voorvallen van deze, toen nog toekomstige, gebeurtenis kon verwachten, in welk geval deze verwachting als een omstandigheid, waaronder de uiterste wil is gemaakt, in aanmerking komt. Haar tweede huwelijk op hoge leeftijd is een toekomstige gebeurtenis en de vraag is of zij daarmee bij het opmaken van haar uiterste wil in 1980 rekening mee heeft willen houden.
Gezien het tweede huwelijk op hoge leeftijd is de tekst van de uiterste wil onduidelijk geworden en dat geldt met name voor de passage: ”Voor het geval ik na of tegelijk in de zin der wet met mijn genoemde echtgenoot kom te overlijden, beschik ik als volgt: Ik bekrachtig bij deze de vererving van mijn nalatenschap volgens de bepalingen der wet voor vererving bij versterf.” De uiterste wil van erflaatster dient derhalve te worden uitgelegd.
Uit de grieven volgt dat appellant het niet eens is met de beslissing van de rechtbank dat hij op basis van de uiterste wil van erflaatster geen erfgenaam van haar is.
Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of de echtgenoot van erflaatster al dan niet erfgenaam is in de nalatenschap van erflaatster (zijn echtgenote).
De advocaat van de zoon en de dochter stelt dat dit niet het geval is, omdat het hier gaat om een “oud” testament uit 1980 en het de bedoeling van erflaatster was, zo stellen de zoon en de dochter althans, dat alleen de kinderen van erflaatster (de zoon en de dochter) zouden erven.
De advocaat van de echtgenoot van erflaatster is, kort samengevat, van oordeel dat, nu in het testament van erflaatster bepaald is dat de erfgenamen van erflaatster zijn de erfgenamen bij versterf en ten tijde van het opstellen van de huwelijkse voorwaarden in 2012, ook de erfrechtelijke gevolgen voor zowel erflaatster als voor de echtgenoot van erflaatster en tevens het testament van erflaatster zijn besproken bij de notaris en erflaatster naar aanleiding van de verkregen informatie geen reden zag haar testament aan te passen, hij wel degelijk (samen met de zoon en de dochter) erfgenaam is.
De rechter overweegt als volgt.
De informatie die afkomstig is van het hiervoor vermelde notariskantoor is voor een buitenstaander niet consistent. De medewerkers van voormeld notariskantoor verklaren in hun brief van 20 december 2016 dat het de bedoeling van erflaatster zou zijn geweest dat ook appellant in haar nalatenschap als erfgenaam opkomt.
De rechter zal binnen het hiervoor genoemde juridisch kader de rechtsvraag beantwoorden of appellant al dan niet erfgenaam is.
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat appellant op basis van de uiterste wil van erflaatster geen erfgenaam is. De rechtbank heeft zulks op goede gronden geoordeeld. Naar het oordeel van het hof gaat appellant uit van een grammaticale uitleg van het testament. De stelling van appellant dat erflaatster, indien zij appellant had willen uitsluiten als erfgenaam, expliciet in haar uiterste wil had dienen te vermelden dat na het overlijden van haar eerste echtgenoot alleen haar kinderen zouden erven doet geen recht aan de situatie waarin erflaatster in 1980 haar uiterste wil formuleerde. Op het moment van het formuleren van haar uiterste wil in 1980 was sprake van een gezinssituatie met haar eerste echtgenoot en geïntimeerden. De positie van haar eerste echtgenoot heeft zij geregeld alsmede de positie van geïntimeerden. Het feit dat zij is gehuwd is een omstandigheid waardoor de uiterste wil van erflaatster uit 1980 onduidelijk wordt omdat appellant bij een grammaticale uitleg van de uiterste wil wel als erfgenaam moet worden aangemerkt.
Een dergelijke uitleg acht het hof met de rechtbank in strijd met de omstandigheden waaronder de uiterste wil in 1980 is geformuleerd. Bij het formuleren van haar uiterste wil heeft de toenmalige gezinssituatie bij erflaatster centraal gestaan en voor haar is nadien er geen aanleiding geweest om de wil die zij in 1980 heeft geformuleerd en vastgelegd in haar uiterste wil te veranderen. Appellant en erflaatster zijn op hoge leeftijd getrouwd, bewust hebben zij gekozen voor het gescheiden houden van hun vermogens; zij sloten huwelijkse voorwaarden inhoudende een zogenaamde koude uitsluiting.
Wat erflaatster mogelijk heeft verklaard bij het aangaan van de huwelijkse voorwaarden doet niet af aan het feit dat zij desondanks niet haar uiterste wil heeft gewijzigd.
Volgens de wettekst (artikel 4:46 lid 2 BW) en de parlementaire geschiedenis mogen daden en verklaringen van de erflaatster buiten de uiterste wil slechts dan voor de uitleg van een uiterste wil worden gebruikt indien de uiterste wilsbeschikking zonder die verklaring geen duidelijke zin heeft. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat die situatie zich hier niet voordoet.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over de verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament, over het opeisen van het kindsdeel of van de legitieme in een nalatenschap of over de verdeling van een ouderlijke boedelverdeling, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.