Van onze advocaat verdeling erfenis. De Rechtbank Den Haag heeft op 11 april 2018 uitspraak gedaan over de vraag of het saldo van een gezamenlijke en/of-rekening in de nalatenschap valt of toebehoort aan de mede-rekeninghouder. De rechtbank oordeelt dat de rekening alleen is gevoed door erflater en daarom in de erfenis valt.

Partijen strijden over de vraag aan wie het saldo op de rekening toekomt; aan de stichting als enig erfgenaam van Q of aan C. A c.s. stellen dat het saldo behoort tot de nalatenschap, omdat het geld van Q afkomstig is. C daarentegen voert aan dat op de rekening haar eigen geld stond en dat het saldo dus aan haar toekomt.

Bij de beoordeling van de stellingen van partijen stelt de rechtbank voorop dat het feit dat de rekening zowel op naam van Q stond als op die van C, niets zegt over de vraag wie aanspraak kan maken op het saldo van deze rekening.

Volgens vaste rechtspraak komt immers het saldo van een rekening toe aan degene die het bedrag op de rekening heeft gestort. Dit betekent dat in deze procedure de vraag centraal staat wie de rekening heeft gevoed.

Nu de vordering van A c.s. is gebaseerd op de stelling dat het saldo van de rekening volledig afkomstig is van de erflater en nu C dit betwist, ligt het op de weg van A c.s. om te bewijzen dat het geld op de rekening volledig van de erflater is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn A c.s. daarin geslaagd.

Valt het saldo van een gezamenlijke of van een en/of-rekening in de nalatenschap, of hoort het toe aan de mede-rekeninghouder?

Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Vast staat dat de erflater al sinds de jaren ‘70 beschikte over een rekening bij bank en dat het saldo op die rekening, dat in de jaren ’80 (in ieder geval) 109.084 bedroeg, in de loop der jaren is aangegroeid tot € 527.616 in 2007.

C heeft ter comparitie het standpunt ingenomen dat erflater in de jaren ’80 aan haar toebehorend vermogen (door haar gesteld op een bedrag van ƒ 100.000 tot ƒ 200.000) op een op zijn naam gestelde bankrekening in Zwitserland heeft gestort, dat dit vermogen als gevolg van positieve beursontwikkelingen aanzienlijk is toegenomen en dat dit geld uiteindelijk op de rekening terecht is gekomen.

De bewijslast van deze stelling, die door A c.s. gemotiveerd is betwist, rust op C. Naar het oordeel van de rechtbank is de juistheid van deze stelling van C niet komen vast te staan. In dit verband overweegt de rechtbank dat C niet heeft onderbouwd dat zij eind jaren ’70 en begin jaren ’80 beschikte over een vermogen van enige omvang.

C heeft geen stukken in het geding gebracht waaruit kan worden afgeleid dat zij in de betreffende periode enig vermogen heeft opgebouwd. Uit de stellingen van A c.s. blijkt eerder van het tegendeel. A c.s. hebben, daartoe verwijzend naar privé-correspondentie van C aan de erflater, aangevoerd dat C omstreeks 1985 failliet is verklaard en dat zij in die periode moest leven van een uitkering. C heeft die stellingen niet inhoudelijk bestreden, zodat de rechtbank uitgaat van de juistheid daarvan.

Bij die stand van zaken ligt het niet voor de hand dat C in de betreffende periode beschikte over enig vermogen. Nog afgezien daarvan heeft C haar stelling dat erflater op haar verzoek aan haar toebehorend vermogen heeft gestort op een op zijn naam gestelde Zwitserse bankrekening, op geen enkele wijze onderbouwd. Zelfs als zou moeten worden aangenomen dat C begin jaren ’80 beschikte over een eigen vermogen van enige omvang (wat, zoals hiervoor overwogen, niet het geval is), is dus niet komen vast te staan dat het geld op de rekening van erflater afkomstig is van C. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat het saldo op de rekeningen toebehoorde aan erflater.

De volgende vraag die partijen verdeeld houdt, is van wie het saldo op de op naam van C gestelde rekening afkomstig is.

A c.s. stellen dat erflater (een deel van) het saldo van de rekening op de andere rekening heeft gestort; C heeft deze lezing bestreden. Naar het oordeel van de rechtbank zijn A c.s. erin geslaagd bewijs te leveren van de juistheid van hun stellingen. Daartoe geldt het volgende.

Tussen partijen is niet in geschil dat erflater op 15 juni 2007 het aan hem toebehorende saldo van de rekening contant heeft opgenomen. Evenmin is in geschil dat de andere rekening op 11 juni 2007, dus enkele dagen daarvoor, is geopend.

A c.s. hebben gemotiveerd betoogd dat de erflater, die in de betreffende periode samen met C in Zwitserland verbleef, het door hem in euro’s opgenomen bedrag heeft gestort op de andere rekening. Hiertoe hebben A c.s. er onder meer op gewezen dat het saldo van € 367.465, dat in maart 2009 op die rekening stond, gelet op de dalende beurskoersen in de betreffende periode, ongeveer correspondeert met het door erflater in juni 2007 opgenomen bedrag van € 439.022,97. C heeft de laatste stellingen niet, althans niet gemotiveerd, bestreden.

De rechtbank gaat er daarom vanuit dat bij de opening van de andere rekening een bedrag van ongeveer € 439.022,97 door erflater op de rekening is gestort.

A c.s. hebben bovendien gemotiveerd betoogd dat het niet anders kan dan dat het in euro’s opgenomen bedrag op de rekening is gestort. Daartoe hebben zij gesteld dat erflater weinig geld uitgaf, dat hij bij zijn overlijden geen bankrekeningen had waarop een bedrag van (ongeveer) deze omvang stond en dat er tussen zijn bezittingen evenmin contant geld is aangetroffen.

C heeft deze stellingen niet, althans niet gemotiveerd, bestreden. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat erflater het bedrag dat hij op 15 juni 2007 in euro’s heeft opgenomen van de rekening, vervolgens heeft gestort op de andere rekening. C heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren gebracht die dit weerleggen. De rechtbank overweegt ten aanzien van dat laatste als volgt.

Hoewel C daartoe ter comparitie uitdrukkelijk in de gelegenheid is gesteld, heeft zij nagelaten informatie in het geding te brengen over het saldo van de andere rekening bij opening daarvan. Evenmin heeft zij enig stuk in het geding gebracht waaruit kan worden afgeleid dat het geld dat op die rekening is gestort, haar privévermogen is. Voor zover C zich op het standpunt heeft gesteld dat het saldo op de rekening haar eigen geld was, heeft zij dit standpunt dus niet onderbouwd. De rechtbank gaat daarom aan het verweer van C voorbij.

Dit betekent dat is komen vast te staan dat het saldo van de op naam van C gestelde rekening afkomstig is van erflater.

Tussen partijen is niet in geschil dat het saldo van de rekening in maart 2009 is overgeboekt naar de weer een andere rekening die op naam van erflater stond. Evenmin is in geschil dat het saldo op die rekening in september 2010 weer is overgeboekt naar de weer een andere rekening, die was geadministreerd op naam van zowel erflater als C. Nu is komen vast te staan dat het saldo van de rekening feitelijk aan erflater toebehoorde, geldt hetzelfde voor de saldi van de andere rekeningen.

Dit betekent dat A c.s. erin zijn geslaagd te bewijzen dat het saldo van de laatste rekening ten tijde van het overlijden van erflater, volledig afkomstig is van erflater en dat dit saldo dus onderdeel uitmaakt van de nalatenschap. De ter zake gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden toegewezen.

De Rechtbank Amsterdam heeft eerder in gelijke zin geoordeeld:

Een van de rekeninghouders van een en/of rekening overlijdt. De erflaatster voedde de rekening. De gelden op de rekening werden ten behoeve van erflaatster gebruikt.

Valt het saldo van de rekening in de nalatenschap of verblijft het aan de mede-rekeninghoudster?

De en/of rekening moet worden gezien als een vorm van passieve hoofdelijkheid zijdens de bank en houdt alleen maar in dat de bank bevrijdend kan betalen aan ieder van de beide rekeninghouders.

Rekeninghouders zijn hoofdelijk verbonden voor de terugbetaling van een eventueel negatief saldo (actieve hoofdelijkheid).

De regeling met de bank zegt echter niets over de rechten op het aanwezige saldo.

Het saldo blijft toekomen aan degene die het op de rekening heeft gestort.

Nu het de erflaatster was die de gelden heeft gestort, is zij eigenaresse van het geld gebleven.

De feitelijke gang van zaken voor het overlijden van erflaatster bevestigt dat bovendien: de op de rekeningen aanwezige gelden werden uitsluitend door en ten behoeve van erflaatster gebruikt en behoorden blijkens de aangifte inkomstenbelasting tot haar vermogen.

Het op de rekeningen ten tijde van het overlijden van erflaatster staande saldo behoort dan ook in beginsel tot de nalatenschap.

Wilt u de gehele uitspraak van de rechtbank Den Haag bekijken? Klik dan hier.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken van de rechtbank Amsterdam? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis of over de vraag of een gezamenlijke bankrekening of een uitkering uit een verzekering in de nalatenschap valt, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.