Van onze advocaat verdeling erfenis. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 27 februari 2018 uitspraak gedaan over het afleggen van rekening en verantwoording over het gebruik van een gemeenschappelijke bankrekening.
Partijen zijn, ieder voor een gelijk deel, de gerechtigden tot de nalatenschap van hun moeder, verder te noemen: ‘erflaatster’, die in 2011 overleed. Partijen hebben de nalatenschap zuiver aanvaard.
Met de grieven 1 en 7 stelt appellant dat hij over de periode voor het overlijden van erflaatster geen rekening en verantwoording hoeft af te leggen over de bankrekeningen waarvan hij mederekeninghouder was.
Van gemeenschap, opdracht of zaakwaarneming is aldus appellant geen sprake.
Tussen erflaatster en appellant bestaat geen rechtshandeling die tot rekening en verantwoording zou moeten leiden.
Evenmin vloeit, aldus appellant, uit het ongeschreven recht een verplichting tot rekening en verantwoording voort.
Voor het overlijden van erflaatster is appellant verschillende keren met haar naar de ABN-Amro bank gegaan. Er moest iemand bij zijn die ja of nee kon zeggen. Op een bepaald moment wist erflaatster het allemaal niet meer. In dat kader zijn in 2008 op advies van een medewerker van de bank een aantal rekeningen mede op naam van appellant gezet. Appellant is nooit alleen naar de bank geweest, erflaatster ging mee naar de bank.
Het voorgaande betekent, aldus appellant niet dat hij rekening en verantwoording moet afleggen. Erflaatster had hooguit administratief niet het juiste overzicht over de rekeningen, van een omstandigheid dat erflaatster haar wil niet meer kon bepalen, was geen sprake. Voorts geldt dat voor het overlijden van erflaatster van deze gezamenlijke rekeningen geen betalingen zijn gedaan en reeds daarom geen verplichting tot rekening en verantwoording bestaat.
De andere erfgenamen betogen dat het voor zich spreekt dat degene die medebankrekeninghouder is tegenover derden en met name andere erfgenamen rekening en verantwoording moet afleggen over al hetgeen hij weet van de desbetreffende bankrekeningen.
Afleggen rekening en verantwoording over een gemeenschappelijke bankrekening (mede-rekening)?
Het hof stelt het volgende voorop.
Volgens vaste rechtspraak kan een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording worden aangenomen indien tussen partijen een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan krachtens welke de een jegens de ander (de rechthebbende) verplicht is om zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te verantwoorden.
Een zodanige verhouding kan voortvloeien uit de wet, een rechtshandeling of ongeschreven recht. Aan het oordeel dat op grond van ongeschreven recht een verplichting bestaat om zich te verantwoorden over de behoorlijkheid van het over het vermogen van een ander gevoerd beheer, kan bijdragen dat sprake is van een rechtsverhouding die verwantschap vertoont met een of meer in de wet geregelde gevallen waarin een dergelijke verplichting is neergelegd, zoals gemeenschap, opdracht of zaakwaarneming.
Voor het overige is het antwoord op de vraag of een zodanige verantwoording geboden is, sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Omstandigheden die in dit verband een rol kunnen spelen zijn onder meer: (i) de redenen waarom het beheer is gevoerd, (ii) de verhouding die bestond tussen degene die het beheer voerde en de rechthebbende, (iii) hetgeen in de relatie tussen partijen of in soortgelijke gevallen gebruikelijk is of was, (iv) de mate waarin degene die het beheer voerde, zelfstandig kon en mocht handelen, en (v) de mate waarin de rechthebbende in staat is geweest de handelingen van degene die het beheer voerde te overzien en voor zijn belangen op te komen (HR 9 mei 2014, HR:2014:1089).
Anders dan de overige erfgenamen betogen brengt de omstandigheid dat appellant mederekeninghouder was op zich zelf niet mee dat hij rekening en verantwoording aan de overige erfgenamen dient af te leggen.
De, door erfgenamen gestelde, omstandigheid dat het gezichtsvermogen van erflaatster de laatste jaren van haar leven ernstig achteruit was gegaan en dat zij gezien haar leeftijd (93) jaar haar financiële positie niet volledig kon doorgronden en overzien, maakt het voorgaande niet anders.
Evenmin maakt de omstandigheid dat het geld op bedoelde rekeningen van erflaatster was het voorgaande anders. De overige erfgenamen stellen zelf dat het niet zo was dat erflaatster niet compos mentis was.
Het betoog van de erfgenamen dat appellant 13 bankrekeningen voor erflaatster heeft geopend, waaronder naar het hof begrijpt de rekeningen die mede op naam van appellant zijn gezet, zonder dat erflaatster zich daarvan bewust was, althans kon zij geweest, is gezien het voorgaande door de overige erfgenamen onvoldoende onderbouwd.
Het moet er daarom voor worden gehouden dat het beheer over de rekeningen bij ABN AMRO Bank voorafgaand aan het overlijden van erflaatster met instemming van erflaatster heeft plaatsgevonden.
Hieraan doet niet af dat de bankpas behorende bij rekeningnummer uitsluitend op naam van appellant stond.
Evenmin doet aan het voorgaande af hetgeen van de zijde van de overige erfgenamen bij pleidooi is gesteld dat appellant al de bankpassen van moeder had. Appellant hoeft over het door hem gevoerde beheer over het vermogen van erflaatster voor zover betrekking hebbend op de rekeningen bij ABN AMRO Bank geen rekening en verantwoording af te leggen over de periode vanaf 1 januari 2008 tot en met de datum overlijden van in 2011.
Feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel moeten leiden zijn gesteld noch gebleken. De overige erfgenamen hebben het betoog van appellant bij memorie van grieven dat voor het overlijden van erflaatster van deze gezamenlijke rekeningen geen betalingen zijn gedaan niet betwist. Naast het voorgaande geldt dat de erfgenamen bij de door hen overgelegde pleitnota hebben aangegeven dat rekening en verantwoording over rekeningnummer ABN AMRO Bank [nummer 3] niet meer nodig is.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank bij tussenvonnis van 5 november 2014 ten onrechte heeft geoordeeld dat appellant over de rekeningen waarvan hij mede rekeninghouder is rekening en verantwoording dient af te leggen over de periode voor overlijden van erflaatster. Voorts betekent het voorgaande dat het vonnis van 23 december 2012 zal worden vernietigd voor zover appellant in het dictum is veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording over het door hem gevoerde beheer over het vermogen van erflaatster in de periode vanaf 1 januari 2008 tot en met datum van overlijden in 2011.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over een gemeenschappelijke rekening in de nalatenschap of over het afleggen van rekening en verantwoording in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.