De Rechtbank Rotterdam heeft op 16 september 2020 uitspraak gedaan over de vraag of de geldleningen als een gift diende te worden beschouwd of dat er sprake was van een schijnconstructie en van een verkapte gift.
Van de zijde van eiseres wordt betwist dat de geldleenovereenkomsten “voor de vorm” zijn opgemaakt.
Ingevolge artikel 157 lid 2 Rv leveren de door gedaagde ondertekende schriftelijke overeenkomsten van geldlening dwingend bewijs op van het bestaan van de geldleningen.
Dat betekent, zo volgt uit artikel 151 Rv, dat de rechter verplicht is het bestaan van die overeenkomsten van geldlening als waar aan te nemen en dat het op de weg van gedaagde ligt om tegenbewijs te leveren tegen het bestaan van de overeenkomsten van geldlening.
Zij dient daarbij aan te tonen dat de in die overeenkomsten genoemde bedragen van € 78.000,- en € 122.000,- giften zijn.
Het enkele feit dat sprake zou zijn geweest van een affectieve relatie, zoals gedaagde stelt, is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is geweest van giften.
Voorts blijkt uit niets blijkt dat de wil was gericht was op bevoordeling van gedaagde.
Erfrecht. Gift? Zijn de geldleningen voor de vorm opgemaakt? Schijnconstructie. Bevoordeling? Bewijsvoering. Bewijskracht van onderhandse akten.
De rechter oordeelt als volgt.
Voor het geval geoordeeld wordt dat geen sprake is van een wilsgebrek, dient vervolgens het verweer van gedaagde beoordeeld te worden dat de beide overeenkomsten van geldlening “voor de vorm” zijn opgemaakt.
Niet duidelijk is of de in de overeenkomsten van geldlening genoemde bedragen van € 78.000,- en € 122.000,- als bedragen ineens aan gedaagde en/of haar zoon ter beschikking zijn gesteld, dan wel dat bedoelde bedragen de som zijn van de bedragen die gedaagde heeft onttrokken aan de bankrekening.
Als dat eerste het geval is, wordt verwacht dat bankafschriften in het geding gebracht worden, waaruit blijkt dat de bedragen van € 78.000,- en € 122.000,- aan gedaagde en/of haar zoon zijn overgemaakt.
Als dat tweede het geval is, rijst de vraag hoe de stelling dat sprake is van geldleningen te rijmen valt met opmerking tijdens de bijeenkomst van 20 mei 2019 dat hij tot eind 2019 gedaagde “wil helpen met de persoonlijke toelage van € 2.500,- per maand om in je levensonderhoud te voorzien”.
Van de kant van eiseres is steeds betwist dat sprake was van een affectieve relatie.
Het is echter de vraag hoe die betwisting te rijmen valt met de omstandigheid dat gedaagde in zijn testament als legataris heeft aangewezen en haar een behoorlijk geldbedrag heeft nagelaten.
Ook dat punt zal de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling van de zaak aan de orde stellen.
Alle stukken die op de zaak betrekking kunnen hebben en die nog niet in het geding zijn gebracht, dienen door de partij die deze ter sprake wil brengen aan de rechtbank en aan de wederpartij te worden toegezonden.
Deze stukken dienen uiterlijk twee weken vóór de zitting in het bezit te zijn van de rechtbank en de wederpartij.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over schenking en giften in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.