De Rechtbank Rotterdam heeft op 14 oktober 2020 uitspraak gedaan over het recht en gebruik van een woning en een vordering tot een gebruiksvergoeding.

Eisers vorderen een gebruiksvergoeding over de periode vanaf medio 2013 tot aan verkoop van de woning.

Erfrecht. Recht van gebruik en bewoning. Vruchtgebruik. Gebruiksvergoeding. Waardestijging. Waardebepaling. Peildatum. Redelijkheid en billijkheid.

De rechter oordeelt als volgt.

In de visie van eiser is de testamentaire bepaling dat gedaagde geen gebruiksvergoeding verschuldigd niet geldig omdat gedaagde niet de gang naar de notaris heeft gemaakt om haar recht van gebruik en bewoning vast te leggen in een notariële akte.

De vordering zal worden afgewezen.

De rechtbank laat in het midden of gedaagde rechten kan ontlenen aan het testament.

Ook als zij dat niet kan is de vordering niet toewijsbaar, dit op grond van de wet als aanvullend/regelend recht.

Volgens de wet (art. 3:168 lid 2 BW) kán de rechter tussen deelgenoten een gebruiksregeling opleggen, daaronder mede begrepen een gebruiksvergoeding.

Bij de beoordeling geldt de maatstaf dat de rechter moet beslissen naar billijkheid, rekening houdend met het algemeen belang.

De stelling van eiser dat het recht op een gebruiksvergoeding ‘stevig is verankerd in de jurisprudentie’ is een verkeerde voorstelling van zaken.

De rechter kan een gebruiksvergoeding opleggen maar is daartoe niet verplicht.

Het hangt af van de omstandigheden van het geval.

In dit geval ziet de rechtbank geen aanleiding om een gebruiksvergoeding toe te kennen aan eisers.

Dat zou in dit geval onbillijk zijn, nu erflater blijkens het testament niet heeft gewild dat gedaagde een gebruiksvergoeding moest betalen.

Dit oordeel geldt temeer nu eisers niet hebben meebetaald aan de eigenaarslasten van de woning.

Gedaagde stelt dat eisers gehouden zijn om de helft van de door haar betaalde woonlasten te dragen.

Het is in de visie van gedaagde onrechtvaardig dat eisers wel zouden meeprofiteren van de waardestijging van de woning in de afgelopen jaren, terwijl alleen zij in deze periode de woonlasten heeft betaald.

De rechtbank oordeelt verder als volgt.

Op het recht van gebruik en bewoning zijn in beginsel, behoudens hier niet ter zake doende uitzonderingen, de regels betreffende vruchtgebruik van overeenkomst toepassing (artikel 6:226 BW).

Een vruchtgebruiker dient de gewone lasten en herstellingen te dragen (artikel 6:220 lid 1 BW).

Daartoe behoren de eigenaars- en gebruikerslasten van de woning.

Gedaagde dient dus de eigenaars- en gebruikerslasten zelf te dragen.

Van kosten die niet als gewoon in de zin der wet mogen worden aangemerkt, is niet of althans onvoldoende gebleken.

Voor zover art. 6:220 lid 1 BW niet toepasselijk is omdat het zakelijk recht van gebruik formeel nooit formeel is gevestigd (gedaagde heeft niet de gang naar de notaris gemaakt), wordt het oordeel niet anders.

Gedaagde zou alsdan ongerechtvaardigd worden verrijkt, door misbruik te maken van haar eigen verzuim om dit recht formeel te vestigen.

Niet voldoende voor een ander oordeel is dat in het testament staat dat normale en geringe reparaties in beginsel voor rekening van de gebruikster zijn.

Die bepaling ziet slechts op reparatiekosten.

Gedaagde stelt geen verklaringen of gedragingen op grond waarvan mag worden aangenomen dat deze regeling uitsluitend op reparatiekosten en niet ook op andere woonlasten ziet.

Van reparatiekosten die niet als gering in de zin van deze bepaling mogen worden aangemerkt, is niet of althans onvoldoende gebleken.

Het is niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat eisers meeprofiteren van de waardestijging van de woning.

Het mag zo zijn dat eisers niet hebben bijgedragen aan de eigenaarslasten, maar daar staat tegenover dat zij het gebruiksgenot van de woning hebben moeten missen.

Evenmin ziet de rechtbank voldoende reden om op grond van de redelijkheid en billijkheid af te wijken van de hoofdregel dat voor de waarde van een te verdelen goed uitgegaan moet worden van het moment van verdeling.

Het ligt bovendien niet zonder meer voor de hand dat de waardestijging zo hoog is als gedaagde betoogt.

De taxatie van de woning in 2013 waaraan gedaagde refereert was bedoeld voor de successierechten.

Dan pleegt een taxatie wel eens wat lager uit te vallen.

De waarde in het economisch verkeer van de woning in 2013 is in deze procedure dan ook niet vast komen te staan.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het recht van gebruik en bewoning, vruchtgebruik of over een verbruiksvergoeding in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.